← Nederland

ECLI:NL:CG:2013:3

CENTRALE GRONDKAMER Datum: 10 juni 2013 Dossiernummer: GP 11.705 Beschikking in de zaak van:

  1. [pachter A], wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente]),
  2. [pachter B], wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente]), -hierna te noemen: pachters- gemachtigde: mr. D.M.H.M. van Dijk, CMS Derks Star Busmann N.V. te Utrecht, -tegen- Stichting het Geldersch Landschap, gevestigd te Arnhem, Zijpendaalseweg 44, -hierna te noemen: verpachtster-. Het geding in eerste aanleg De grondkamer heeft bij beschikking van 28 februari 2013, waarvan afschrift aan partijen is verzonden op 21 maart 2013, met betrekking tot de op 6 april 2012 bij haar ter goedkeuring ingezonden “Pachtovereenkomst hoeve met los land” betreffende de hoeve, genaamd “[naam hoeve]” met los land, bestaande uit een agrarisch bedrijfswoning met bijbehorende gebouwen, erf en percelen grasland, kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Gelderland], [kadastrale aanduiding], tezamen groot 42.04.00 ha, aangegaan voor de duur van twaalf jaren, ingaande 1 april 2012 en eindigende 31 maart 2024, zulks met een pachtprijs van € 50.900,- in totaal per jaar, als volgt beslist: “De overeenkomst wordt gewijzigd in die zin dat in artikel 21, lid 1, Oplevering, van de algemene voorwaarden na “machtiging van de Grondkamer” wordt toegevoegd “of de rechter”. De aldus gewijzigde overeenkomst wordt goedgekeurd.” Voormelde beschikking is in fotokopie aan deze beschikking gehecht. Daarnaar wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg en de bij de beschikking gegeven motivering. Het geding in hoger beroep Pachters zijn bij een op 19 april 2013 ter griffie ingekomen beroepschrift in beroep gekomen van voormelde beschikking, met verzoek de beschikking, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw beschikkende de pachtprijs aan de hand van het Pachtprijzenbesluit (opnieuw) te toetsen; te bepalen dat bij de in de pachtovereenkomst in onderdelen voor grond, bedrijfsgebouwen en woning opgenomen pachtprijzen per onderdeel worden getoetst; de drie onderdelen van de pachtprijs separaat te toetsen en vervolgens de pachtprijs al dan niet gewijzigd goed te keuren. Verpachtster heeft hiertegen verweer gevoerd bij een op 14 mei 2013 ter griffie ingekomen verweerschrift. De grieven Pachters hebben de volgende grieven aangevoerd: Grief I Ten onrechte heeft de Grondkamer Oost de in de pachtovereenkomst opgenomen totale pachtprijs ongewijzigd goedgekeurd. Grief II Ten onrechte heeft de Grondkamer Oost geoordeeld: “Het gaat hierbij om de totale pachtprijs, niet om een gedeelte van de totale pachtprijs. De Grondkamer heeft de totale pachtprijs getoetst en is van oordeel dat die pachtprijs kan worden goedgekeurd.” Beoordeling van het geschil in hoger beroep Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep
  3. De door pachters aangevoerde grieven hebben enkel betrekking op de door de grondkamer ongewijzigd goedgekeurde pachtprijs in de onderhavige pachtovereenkomst.
  4. Ingevolge artikel 36, lid 1, van de Uitvoeringswet grondkamers staat behoudens het in het derde lid bepaalde, aan partijen, belanghebbenden, alsmede aan de verzoeker binnen een maand, nadat de beschikking aan hen is verzonden, beroep open bij de Centrale Grondkamer. Lid 3 van genoemd artikel bepaalt dat geen beroep door de pachter of de verpachter kan worden ingesteld indien de pachtovereenkomst of een overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst dan wel het ontwerp van een van deze overeenkomsten ongewijzigd wordt goedgekeurd.
  5. De situatie van artikel 36, lid 1 van de Uitvoeringswet grondkamers is hier naar de letter niet van toepassing, nu de grondkamer de overeenkomst niet ongewijzigd heeft goedgekeurd. De Centrale Grondkamer ziet echter aanleiding de onderhavige situatie wat betreft het beroep van pachters hiermee gelijk te stellen, nu de toegepaste wijziging niet ten nadele van pachters strekt en enkel heeft gediend om de overeenkomst in overeenstemming met de eisen van de wet te brengen. Deze zienswijze is in overeenstemming met die zoals verwoord in de beschikking van de Centrale Grondkamer van 8 september 2011, kenmerk GP 11.
  6. Pachters hebben in hun beroepschrift aangevoerd dat er gegronde redenen zijn om dit appelverbod te doorbreken. Zij hebben daartoe gesteld dat de grondkamer in strijd met het bepaalde in artikel 7:319, lid 1 sub a BW het Pachtprijzenbesluit ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen. Het buiten toepassing laten van het Pachtprijzenbesluit is naar hun mening grond om hoger beroep van de bestreden beschikking mogelijk te maken. Zij vragen in dit verband aandacht voor het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 1998, NJ 1998, nummer 553, alsmede voor de conclusie van de advocaat-generaal. Dienaangaande overweegt de Centrale Grondkamer het navolgende.
  7. De Hoge Raad acht hoger beroep en cassatie wel mogelijk als de rechter buiten het toepassingsbereik van artikel 7:685 BW is getreden, het artikel ten onrechte buiten toepassing is gelaten (HR 12 maart 1982, NJ 1983, 1818) of zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Verkeerde toepassing van artikel 7:685 BW is geen beroepsgrond (vgl. HR 27 maart 1998, NJ 1998, 553).
  8. De Centrale Grondkamer is van oordeel dat voormelde “doorbrekingsjurisprudentie” ook toepassing kan vinden in een zaak als de onderhavige. Zoals hiervoor reeds overwogen hebben pachters in dit verband gesteld dat de grondkamer het Pachtprijzenbesluit buiten toepassing heeft gelaten. Mede gelet op voormelde jurisprudentie van de Hoge Raad, zijn zij naar het oordeel van de Centrale Grondkamer in zoverre ontvankelijk in hun hoger beroep. In hun materiële toelichting hierop stellen pachters dat, nu de pachtprijs in de pachtovereenkomst is uitgesplitst in drie onderdelen -grond, woning en gebouwen-, deze drie onderdelen door de grondkamer met toepassing van het Pachtprijzenbesluit hadden moeten worden getoetst, waarbij zij hebben aangevoerd dat met name de hoogte van de tegenprestatie voor de woning niet in overeenstemming is met het Pachtprijzenbesluit. Naar het oordeel van de Centrale Grondkamer blijkt hieruit dat naar de mening van pachters het Pachtprijzenbesluit onjuist is toegepast. Van het buiten toepassing laten van het Pachtprijzenbesluit zoals door pachters aangevoerd is derhalve geen sprake zodat hun beroep op het doorbreken van het appelverbod ongegrond is. Met betrekking tot de grieven
  9. Het hiervoor overwogene brengt mede dat de door pachters aangevoerde grieven hier geen bespreking meer behoeven.
  10. Voor zoveel nodig overweegt de Centrale Grondkamer in dit verband nog dat de grondkamer wat betreft de goedkeuring van de door partijen overeengekomen en in voormelde “Pachtovereenkomst hoeve met los land” vermelde pachtprijs toepassing heeft gegeven aan artikel 26, lid 1 juncto artikel 33 van de Uitvoeringswet grondkamers. Zij heeft daarbij toepassing moeten geven aan artikel 7: 319, lid 1, onder a BW, waarbij zij in de gegeven omstandigheden terecht is uitgegaan van de pachtprijs van de hoeve als geheel en deze vervolgens als zodanig met inachtneming van de met ingang van 1 juli 2011 in werking getreden wijziging van het Pachtprijzenbesluit 2007 ongewijzigd heeft goedgekeurd. Nog daargelaten de vraag of het door pachters in hun beroepschrift genoemde arrest van de Hoge Raad op een procedure als de onderhavige van toepassing is, is van het ten onrechte buiten toepassing laten van het Pachtprijzenbesluit door de grondkamer, zoals door pachters gesteld, derhalve geen sprake. Voor zoveel nodig merkt de Centrale Grondkamer hierbij nog op dat eerst bij een eventuele herziening van de pachtprijs van genoemde hoeve als bedoeld in artikel 7:333, lid 2, c.q. lid 3, BW de toetsing van de pachtprijs van de onderscheiden bestanddelen daarvan aan het dan toepasselijke Pachtprijzenbesluit aan de orde kan komen. Slotsom Verwerpt het beroep. Beslissing De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep: verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven op 10 juni 2013 door mrs. W.L. Valk, Th.C.M. Willemse en F.J.P. Lock en de deskundige leden ir. H.K.C. Roelofsen en ir. H.B.M. Duenk tegenwoordigheid van mr. J.G. Bongers als griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.