ECLI:NL:CG:2019:8
CENTRALE GRONDKAMER Datum: 8 mei 2019 Dossiernummer: GP 11.794 Beschikking in de zaak van: [naam pachter], wonende te [adres] -hierna te noemen: pachter- gemachtigde: mr. A.J. Boonstra -tegen- 1. [naam verpachter 1], 2. [naam verpachter 2], 3. [naam verpachter 3], allen wonende te [adres] -hierna te noemen: verpachters- Gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten Het geding in eerste aanleg Op 29 juni 2017 heeft de grondkamer Noord een verzoek van verpachters [verpachter sub 2] en [verpachter sub 3 (hierna: verpachters sub 2 en 3) om herziening van de pachtprijs geregistreerd (met verzoeknummer [verzoeknummer]). Het verzoek heeft betrekking op de door pachter van verpachters gepachte percelen grasland, gelegen te [adres], kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Groningen], [kadastrale aanduiding], totaal groot 2.03.20 ha.
De grondkamer Noord heeft bij beschikking van 4 juni 2018 bepaald dat de tegenprestatie wordt herzien en heeft daarbij de pachtprijs bepaald op € 1.727,-- per jaar, ingaande 1 november 2016.
Een afschrift van de beschikking van de grondkamer Noord, waarvan afschrift aan partijen is verzonden op 8 juni 2018, is in fotokopie aan deze beschikking gehecht. Daarnaar wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg en de bij de beschikking gegeven motivering.
Het geding in hoger beroep Pachter is bij een op 5 juli 2018 ter griffie ingekomen beroepschrift in beroep gekomen tegen de hiervoor genoemde beschikking van de grondkamer Noord. Pachter heeft de Centrale Grondkamer verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en verpachters sub 2 en 3 niet-ontvankelijk in hun verzoek te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen, subsidiair de hoogst toelaatbare pachtprijs op een lager bedrag vast te stellen.
Verpachters hebben hiertegen verweer gevoerd bij een op 7 augustus 2018 ter griffie ingekomen verweerschrift. Verpachters hebben de Centrale Grondkamer verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep 1. Uit de stukken, waaronder de stukken van de procedure bij de grondkamer, blijkt het volgende. [verpachtster A] als verpachter en pachter als pachter hebben op 1 november 2006 een pachtovereenkomst gesloten met betrekking tot de hiervoor genoemde percelen (hierna: de percelen) voor de duur van zes jaren, ingaande op 1 november 2006, voor een jaarlijkse pachtprijs van € 545,--. Die overeenkomst is op 31 augustus 2007 ingekomen bij de grondkamer Noord en op 12 november 2007 goedgekeurd door die grondkamer. [verpachtster A] heeft de percelen verkocht aan verpachters en deze percelen op 29 april 2016 aan hen geleverd.2. Verpachters sub 2 en 3 hebben de grondkamer verzocht om op grond van artikel 7:333 lid 2 of 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de pachtprijs te herzien en de hoogst toelaatbare pachtprijs te bepalen met de ingangsdatum ervan. Pachter heeft daartegen verweer gevoerd. De grondkamer heeft bij de bestreden beschikking de pachtprijs herzien en bepaald op € 1.727,-- per jaar, ingaande 1 november 2016. Pachter is het niet eens met die beschikking en heeft bezwaren tegen die beschikking aangevoerd. Hierna zal de Centrale Grondkamer op die bezwaren ingaan.
Voor de ontvankelijkheid is niet van belang dat pachter niet in de gelegenheid is gesteld het gepachte in eigendom te verkrijgen of dat [verpachtster A] de hiervoor beschreven voorwaarde heeft gesteld. Of die voorwaarde tussen partijen geldt, moet de pachtrechter beoordelen. Al met al is er geen reden om verpachters sub 2 en 3 niet-ontvankelijk in hun verzoek te verklaren.
Beslissing De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep: bepaalt dat deskundigen, op een nog te bepalen tijdstip, onderzoek moeten doen naar de hoogst toelaatbare pachtprijs van de gepachte percelen met ingang van 1 november 2016; bepaalt dat de deskundigen rapporten moeten sturen zoals hiervoor onder 5 is genoemd; houdt verder iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven op 8 mei 2019 door mrs. Th.C.M. Willemse, J.H. Lieber en D.H. de Witte en de deskundige leden ing. P. Kerkstra en B.Th.W. Lamers, in tegenwoordigheid van mr. M. Vriend als griffier.