← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2425

Premie 1991/251 O. U I T S P R A A K in het geding tussen: B.V. X., te Y., eiseres, en het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 3 september 1990 is vanwege gedaagde aan eiseres mededeling gedaan van de beslissing om over de jaren 1985 tot en met 1987 ter zake van werkzaamheden van gelegenheidsarbeiders bij onder meer het vangen en laden van kippen premies werknemersverzekeringen vast te stellen. De voormalige Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 30 oktober 1991 het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. In een aanvullend beroepschrift van 9 maart 1992 heeft mr. P.J. van 't Hoff, werkzaam voor de Stichting Rechtsbijstand de gronden uiteengezet waarop eiseres de Raad heeft verzocht om de aangevallen uitspraak en de bestreden beslissing te vernietigen. Desgevraagd hebben gedaagde en de Sociale Verzekeringsraad nadere informatie toegezonden aan de Raad ter zake van besluitvorming over de verzekeringsplicht van gelegenheidsarbeiders. Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 24 juni 1992 en, na aanhouding bij bevel d.d. 6 juli 1992, ter terechtzitting gehouden op 10 november 1993, waar eiseres na bericht van verhindering niet is verschenen. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. J.H. de Wildt, werkzaam bij het Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan. II. MOTIVERING Partijen worden in dit geding verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of gedaagde terecht en op goede gronden premies heeft vastgesteld als onder rubriek I weergegeven. Eiseres exploiteert een bedrijf waarin kuikens worden opgefokt totdat zij hun slachtgewicht hebben bereikt. Voor het vangen van de slachtrijpe kuikens worden ploegen kuikenvangers ingezet die in de duisternis de kuikens vangen. Deze ploegen vangers, die in een enkel jaar ook kuikens ingeënt hebben, worden ad hoc samengesteld, hoofdzakelijk uit scholieren en verzorgen een aantal malen per jaar gedurende één avond (nacht) het vangen van de kuikens. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat telkens wanneer deze kuikenvangers hun werk aanvangen zij werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Eiseres heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad in de zaak Premie 1991/59, waarin de Raad op 15 april 1992 uitspraak heeft gedaan, gesteld dat gedaagde geen waarborgen heeft geschapen tegen willekeurige behandeling en dat hier geen sprake is van arbeidsovereenkomsten omdat de werkzaamheden een te incidenteel karakter dragen. De Raad stelt op basis van de nadere informatie van gedaagde over de benadering van gelegenheidsarbeiders in de agrarische sector vast, dat niet in ontoereikende mate waarborgen geschapen zijn tegen een willekeurige bejegening van ondernemers in deze sector. In de zaak Premie 1991/59, hiervoor genoemd, is de Raad tot het oordeel gekomen dat gedaagde bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot premievaststelling heeft kunnen komen. Deze uitspraak hield een verwijzing in naar zaak Premie 1989/54, waarin de Raad op 19 december 1990 uitspraak heeft gedaan. In die uitspraak heeft de Raad gedaagde voorgehouden dat een zodanig beleid diende te worden ontwikkeld dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Op basis van de thans in deze procedure ter beschikking gekomen gegevens is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat gedaagde zich onvoldoende inspanningen heeft getroost om gelijke behandeling van gelijke gevallen zo goed mogelijk na te streven. In beginsel mag gedaagde daarbij uitgaan van de ingevolge de meldingsregeling gelegenheidsarbeid gedane spontane opgave van werkgevers, die door middel van de inmiddels in brede kring bekend gemaakte registratie van gelegenheidsarbeid mogelijk wordt gemaakt. Daar tegenover staat echter dat op andere grond hier geen plaats is voor premievaststelling. De Raad stelt voorop dat de vraag of de inzet van arbeidskrachten leidt tot het ontstaan van een arbeidsovereenkomst telkens wanneer die arbeidskrachten zich voor een werkgever gaan inspannen, moet beoordeeld worden aan de hand van alle relevante feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij komt bijzondere betekenis toe aan de aard van de werkzaamheden, de wijze waarop deze worden verricht en het organisatorische verband waarbinnen de arbeid is ingepast. Bovendien is voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst niet zonder betekenis de omvang van de arbeidsprestatie, aangezien een in de tijd gemeten slechts zeer marginale arbeidsprestatie onder omstandigheden ertoe kan leiden dat geen werkgeversgezag wordt uitgeoefend. Uit de gedingstukken en het behandelde ter terechtzitting van de Raad is gebleken dat de inzet van vangploegen die steeds een wisselende samenstelling hebben, ongeveer zes keer per jaar gedurende een avond (nacht) plaatsvindt voor een eenvoudige gestructureerde prestatie, te weten het uit alle hokken vangen van alle kuikens en deze in de daarvoor bestemde transportkratten zetten, die vervolgens afgevoerd worden. Sommige kuikenvangers zullen één maal per jaar een avond (nacht) meegewerkt hebben, terwijl anderen tot maximaal zes keer gespreid over een jaar zijn opgetreden. Deze inzet van arbeidskracht acht de Raad in casu van te marginale betekenis om een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aan te kunnen nemen. Hier is immers realiter geen sprake van een situatie dat gedurende een zekere tijd een werknemer zijn arbeidskracht ter beschikking stelt van een werkgever die over de inzet van die arbeid werkgeversgezag kon uitoefenen. Voorzover al een nadere opdracht of instructie werd gegeven - hetgeen van de zijde van eiseres steeds is ontkend - acht de Raad het aannemelijk dat zo'n instructie slechts betrekking had op een nadere bepaling van de verlangde prestatie, ter uitvoering van een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten. Gelet op de noodzaak van een verantwoorde uitvoering van de sociale verzekeringswetgeving, drukt echter niettemin, mede vanwege de wettelijke verplichting daartoe, op eiseres de plicht om gedaagde voldoende informatie te verschaffen over de inzet van losse krachten, zodat beoordeeld kan worden of - nog steeds - sprake is van een wijze van werken zoals die hier aan de orde is. Gelet op het vorenstaande en gelet op artikel 80a, vijfde lid, van de Beroepswet is de Raad van oordeel dat het zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht aan eiseres dient te worden vergoed. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede de bestreden beslissing. Verstaat dat gedaagde aan eiseres het gestorte recht van f. 75,-- vergoedt. Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. A.F.M. Brenninkmeijer en mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Zandstra-Dollekamp als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 december 1993 door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier. (get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers. (get.) B.J. van der Net. (get.) M.F. van Moorst. (get.) A.E. Zandstra-Dollekamp.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.