← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2922

AOW 1991/74 O. U I T S P R A A K in het geding tussen: het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, eiser, en [gedaagde], geboren op 25 november 1923, wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij beslissing van 14 september 1988 heeft eiser aan gedaagde met ingang van 1 november 1988 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) toegekend ter grootte van 92% van het wettelijk pensioenbedrag voor een ongehuwde. Gedaagde heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de voormalige Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch. Deze heeft bij bevel van 15 februari 1990 met toepassing van artikel 177 van het EEG-verdrag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële beslissing gevraagd. Deze is gegeven in het arrest van het Hof d.d. 11 juli 1991 in de zaken C-87, 88 en 89/90 (arrest Verholen e.a., gepubliceerd in onder meer RSV 1991/227). Vervolgens heeft de Raad van Beroep bij uitspraak van 15 november 1991 (gepubliceerd in RSV 1992/193) de bestreden beslissing vernietigd onder bepaling dat eiser een nadere beslissing dient te nemen met inachtneming van de uitspraak. In hoger beroep heeft eiser op de bij aanvullend beroepschrift van 10 april 1992 aangevoerde gronden geconcludeerd tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en bevestiging van zijn aangevochten beslissing. Van de zijde van eiser zijn in verband met het hoger beroep nadere stukken aan de Raad toegezonden. Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 26 oktober 1993, waar van partijen alleen eiser is verschenen, vertegenwoordigd door mr. H.S. van Zanten, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank. II. MOTIVERING Bij de bestreden beslissing is op het aan gedaagde toekomende ouderdomspensioen een korting toegepast van 8% op grond van de overweging dat gedaagde in het tijdvak 1959-1965 gedurende (afgerond) vier jaar niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW. In hoger beroep staat niet meer ter discussie dat, indien wordt uitgegaan van het bij en krachtens de AOW bepaalde, deze korting terecht is geschied, op grond van de omstandigheid dat gedaagde gedurende de in de bestreden beslissing genoemde tijdvakken niet verzekerd was aangezien haar echtgenoot toen was onderworpen aan de Duitse sociale wetgeving. Gegeven de uitspraak van de eerste rechter en gelet op het door eiser ingenomen standpunt staat in hoger beroep ter beoordeling, of de korting zich verdraagt met regels van supra- en internationaal recht, alsmede of zij aantastbaar is op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Grondwet. In dat verband is het van belang allereerst vast te stellen dat gedaagde, die blijkens haar mededelingen in ieder geval sedert haar huwelijk in 1949 geen beroepswerkzaamheden meer heeft verricht, niet binnen de personele werkingssfeer valt van de richtlijn 79/7/EEG van 19 december 1978, als omschreven in artikel 2 van die richtlijn. Mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen d.d. 27 juni 1989 in de zaken 48, 106 en 107/88 (arrest Achterberg-te Riele e.a., gepubliceerd in onder meer RSV 1990/232) en op het antwoord van het Hof op de prejudiciële vragen welke de eerste rechter in het onderhavige geding heeft gesteld, komt de vraag of de korting in overeenstemming is met het verbod van discriminatie naar geslacht, neergelegd in artikel 4, lid 1, van genoemde richtlijn, in deze procedure derhalve niet aan de orde. Wel rijst de vraag of de beslissing om op het pensioen een korting toe te passen wegens niet-verzekerde jaren van gedaagde kan worden aangetast met een beroep op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Trb. 1978, 177; hierna: IVBPR). Zoals in de rechtspraak van de Raad meermalen tot uitdrukking is gebracht, betreft het hier een een ieder verbindende bepaling van internationaal recht, waarvan de werking zich mede uitstrekt tot het gebied van de sociale zekerheid en welke door justitiabelen in het algemeen met ingang van 23 december 1984 rechtstreeks kan worden ingeroepen. In bredere zin is voorts in de jurisprudentie - niet alleen van deze Raad maar ook in die van de Hoge Raad, en tevens in de zogeheten communications van het Human Rights Committee als bedoeld in artikel 28 IVBPR - aanvaard dat artikel 26 van het Verdrag mede omvat een gebod aan de verdragspartijen om wettelijke regels te vrijwaren van iedere vorm van door die bepaling verboden discriminatie; hiervan is geen sprake, indien kan worden vastgesteld dat een door regelgeving ten aanzien van rechtssubjecten teweeggebracht onderscheid berust op objectieve en redelijke gronden. Aldus opgevat vermag in de zienswijze van de Raad een bepaling als artikel 26 IVBPR niet de rechtsgeldigheid aan te tasten van een nationale regel waarbij de hoogte van een op een wettelijke verzekering berustende uitkering (als het AOW-pensioen, respectievelijk de toeslag) afhankelijk wordt gesteld van de mate waarin tijdvakken van verzekering zijn vervuld. Dit laatste wordt niet anders wanneer kan worden vastgesteld dat het niet-vervullen van tijdvakken van verzekering, althans voor wat betreft de tijd gelegen vóór 23 december 1984, was gebaseerd op een regel welke een onderscheid maakte naar geslacht. Immers, de werking van die regel valt in een periode waarin justitiabelen nog geen rechtstreeks beroep op artikel 26 IVBPR konden doen en waarin derhalve door die bepaling de rechtsgeldigheid van de eerder bedoelde, nationale, regel nog niet kon worden aangetast. Met het voorgaande is, mede in aanmerking genomen 's Raads uitspraak van heden in de zaak AOW 1991/75, op het punt van gelijke behandeling van man en vrouw in de sociale zekerheid een uiteenlopende interpretatie gegeven van het discriminatieverbod van de EEG-richtlijn 79/7 enerzijds en dat van artikel 26 IVBPR anderzijds. De Raad ziet echter de eerstbedoelde uitleg met betrekking tot het onderwerp dat hier aan de orde is exclusief gebonden aan het specifieke, op aanpassing van de bestaande wetgeving gerichte en binnen de bijzondere rechtsgemeenschap der EEG geldende gebod van artikel 4, lid 1, van de richtlijn 79/7/EEG. Een zo vergaande werking als aan het beginsel van gelijke behandeling van man en vrouw is toegekend in het arrest van het Hof van Justitie der EG d.d. 11 juli 1991 (arrest Verholen, Heidenrijk en gedaagde, RSV 1991/227) kan naar het oordeel van de Raad niet geacht worden voort te vloeien uit de meer algemene normstelling inzake het verbod van discriminatie als neergelegd in artikel 26 IVBPR. De Raad kan, tenslotte, de overwegingen van de eerste rechter met betrekking tot de toetsing aan artikel 1 Grondwet - waarop die rechter uiteindelijk zijn uitspraak heeft gebaseerd - niet tot de zijne maken. Het gewraakte onderscheid tussen beroepsbevolking en niet-beroepsbevolking wordt in casu teweeggebracht door een bepaling van supra-nationaal recht, namelijk dat der EEG, waarvan de werking niet door een bepaling van nationaal recht terzijde kan worden gesteld. Uit het vorenoverwogene vloeit voort 's Raads oordeel dat eisers bestreden beslissing ten onrechte door de eerste rechter is vernietigd en dat die beslissing ook op het punt van de korting wegens niet-verzekerde jaren op goede gronden berust, zodat in hoger beroep wordt beslist als hieronder aangegeven. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond. Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. H.J. Grendel en mr. F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van L.J. van Krimpen als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 november 1993 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier. (get.) N.J. Haverkamp. (get.) M.F. van Moorst. (get.) L.J. van Krimpen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.