← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1993:ZB4878

AW 1992/153 U I T S P R A A K in het geding tussen: prof. dr. G.M. Bleeker, wonende te Aalsmeer, eiser tevens gedaagde, hierna te noemen: eiser, en het College van bestuur van de Universiteit van Amsterdam, gedaagde tevens eiser, hierna te noemen: gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 21 december 1990 heeft gedaagde afwijzend beschikt op eisers verzoek zijn aanstellingsbesluit van 21 juli 1969 te herzien, subsidiair hem een schadevergoeding toe te kennen. Het voormalige Ambtenarengerecht te Haarlem heeft bij uitspraak van 23 maart 1992, nr. AW 91/50/M, het besluit van 21 december 1990 nietig en de nietigheid voor gedekt verklaard en gedaagde vervolgens veroordeeld tot betaling aan eiser van een vergoeding van f. 150.000.-, te verhogen met de eventueel volgens de bevoegde fiscale autoriteiten terzake daarvan over het jaar van uitbetaling van genoemde som door eiser te betalen loon- en inkomstenbelasting. Partijen zijn van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Het geding is behandeld ter terechtzitting van 26 augustus 1993. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.S. Meijer, advocaat en procureur te 's-Gravenhage. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.S.J. van Kuik, werkzaam bij de universiteit van Amsterdam. II. MOTIVERING Eiser was buitengewoon hoogleraar in de oogheelkunde aan de universiteit van Amsterdam en hoogleraar-directeur van het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut. Met ingang van 1 mei 1985 is hem in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd eervol ontslag verleend en is hem een ouderdomspensioen toegekend. Het pensioen viel aanmerkelijk lager uit dan eiser had verwacht. Dit was het gevolg van het door eiser niet voorziene feit, dat het pensioen overeenkomstig het toen geldende artikel F 1 lid 2 onder b van de Algemene burgerlijke pensioenwet naar twee afzonderlijke dienstlijnen werd berekend. Dit laatste vond zijn grond hierin, dat eiser bij besluit van 21 juli 1969 met ingang van 1 september 1969 was benoemd tot lector in een volledige betrekking, terwijl hij voordien part-time werkzaam was als wetenschappelijk hoofdmedewerker waardoor zijn salaris en daarmee zijn pensioengrondslag meer dan verdubbelde. Eiser nu stelt zich op het standpunt, zeer beknopt weergegeven, dat men van hem niet mocht verwachten dit nadelige gevolg na pensionering reeds in 1969 te hebben voorzien; dat hij, indien hij zich dit toen bewust was geweest, de benoeming niet zou hebben aanvaard althans naar een oplossing zou hebben gestreefd waarbij deze zogenoemde pensioenknip zou zijn vermeden; dat daarentegen de universiteit van deze kwade gevolgen kennis droeg en hem toen had behoren te waarschuwen en met hem naar een gunstiger regeling had dienen te zoeken doch dit heeft nagelaten; dat hij door deze nalatigheid van de zijde van de universiteit thans een schade van ongeveer f. 38.000,-bruto per jaar lijdt en dat de universiteit voor deze schade aansprakelijk behoort te worden gesteld. Eiser vordert herziening van het aanstellingsbesluit van 21 juli 1969 wegens onzorgvuldige besluitvorming en ontoereikende belangenafweging, subsidiair vergoeding van de genoemde schade cum annexis. De eerste rechter heeft te dien aanzien onder meer het volgende overwogen: "Klager heeft ter terechtzitting nogmaals expliciet herhaald dat indien hij van de "knip" op de hoogte was geweest, hij de betreffende benoeming niet had aanvaard, althans niet op die voorwaarden. Dat is voor het gerecht ook niet aan twijfel onderhevig. Dat betekent dat verweerder dan een ander besluit had moeten nemen. De redenering dat een ander besluit niet mogelijk was, kan het gerecht niet inzien. Algemeen bekend is dat met name op het terrein van de mogelijke pensioenbreuk door werkgevers getracht wordt een situatie als hier aan de orde te voorkomen. (...) Indien verweerders toenmalige personeelsdienst de litigieuze bepaling van de ABP-wet niet kende, hetgeen niet meer is na te gaan doch door verweerder niet waarschijnlijk wordt geacht, moet er van worden uitgegaan dat het benoemingsbesluit is genomen zonder met die bepaling rekening te houden. Naar het oordeel van het gerecht is genoemde dienst, lees verweerder als verantwoordelijke voor het personeelsbeleid, daardoor tekortgeschoten in de voorbereiding tot het nemen van het bedoelde besluit. Indien genoemde dienst die bepaling wel kende, doch klager niet op de hoogte heeft gesteld, hetgeen verweerder betwijfelt doch klager uitdrukkelijk stelt, met welke stelling het gerecht meegaat, dan kleeft er eveneens een gebrek aan het benoemingsbesluit in die zin, dat dat besluit door klager niet zou zijn geaccepteerd. Weliswaar is een benoemingsbesluit als het onderhavige een éénzijdige rechtshandeling, doch een dergelijk besluit heeft geen rechtskracht indien de benoemde daarmede niet instemt. Ook hier is wilsovereenstemming een vereiste. De gedachtengang dat klager die bepaling had kunnen kennen en dat er wel sprake was van wilsovereenstemming nu hij daarover niet heeft gesproken, wordt door het gerecht uitdrukkelijk verworpen. Een en ander heeft het gerecht tot de conclusie gebracht dat het benoemingsbesluit van 21 juli 1969 zodanige gebreken vertoont, dat de weigering om daarvan terug te komen de hier aan de orde zijnde toetsing niet kan doorstaan, zodat het bestreden besluit dient te worden nietigverklaard.". De Raad kan de eerste rechter in deze overwegingen niet volgen. De Nederlandse wetgeving en de rechtspositieregelingen kennen tal van situaties waarin in geval van salarisverhoging bijvoorbeeld door het overschrijden van een bepaalde inkomensgrens of anderszins neveneffecten in de financiële sfeer optreden welke voor de betrokkene soms (zeer) nadelig kunnen uitvallen. Dit kan zich voordoen op het terrein van de pensioenwetgeving, de belastingwetgeving, de ziektekostenregelingen, de huursubsidies e.a. Uit beleidsoogpunt zou kunnen worden bepleit met betrekking tot bepaalde onderwerpen aan de administratieve organen als werkgever een voorlichtende taak toe te kennen die verder gaat dan het ter hand stellen van de tekst van de betreffende regelingen. Maar het gaat naar 's Raads oordeel te ver om krachtens ongeschreven recht de administratieve organen in geheel algemene zin verplicht te achten de ambtenaar voor de nadelen van een inkomensverhoging te waarschuwen en daaraan de verplichting te verbinden om, indien die waarschuwing achterwege is gebleven, het aldus ingetreden nadeel te vergoeden. Ook in een geval als dat van eiser, waarin bovendien ten tijde van de betreffende aanstelling met betrekking tot de hoogte van het latere pensioen verschillende onbekende factoren bestonden, acht de Raad een dergelijke verplichting met schadeaansprakelijkheid niet aanwezig. Dit zou anders kunnen zijn, wanneer gedaagde het vaste beleid voerde zijn ambtenaren in geval van salarisverhoging of aanstelling voor de gevolgen in de pensioensfeer voor te lichten en deze voorlichting in eisers geval achterwege was gebleven, doch een dergelijk vast beleid werd, naar ter zitting is meegedeeld, ten tijde hier van belang niet gevoerd. Aangezien de Raad ook overigens niet is gebleken, dat gedaagde met betrekking tot de onderhavige materie op zodanige wijze te werk is gegaan of zodanig nalatig is geweest, dat dit een rechtsgrond zou opleveren voor de verplichting om hetzij het aanstellingsbesluit van 21 juli 1969 te herzien hetzij een schadevergoeding te betalen, kan eisers beroep - ondanks begrijpelijke teleurstelling - niet slagen. Gezien vorenstaande overwegingen kunnen de beschouwingen van eisers raadsman over de hoogte van de schadevergoeding, de rentevergoeding, de vergoeding van rechtsbijstand en het weduwenpensioen onbesproken blijven. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het primaire beroep alsnog ongegrond. Aldus gegeven door mr. J. Boesjes als voorzitter en mr. J. Janssen en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 september 1993 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier. (get.) J. Boesjes. (get.) P.H. Schippers.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.