AW 1992/1526 O U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., eiser, en de burgemeester van de gemeente Schiedam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij zijn besluit van 13 maart 1991 heeft gedaagde aan eiser met ingang van 1 maart 1992 eervol ontslag verleend. De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 30 oktober 1992, nr. AW/91/368-A2, het ontslagbesluit nietig en de nietigheid voor gedekt verklaard. Eiser is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Het geding is behandeld ter terechtzitting van 6 januari
- Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.H.M. Nijhuis, advocaat te Rotterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.O. Meyer en mevr. R.E. Rijzenga. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1994, 1) in werking getreden en is de Ambtenarenwet 1929 gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat gold vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten, als geregeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiser was sinds 1 juli 1990 adspirant van gemeentepolitie in tijdelijke dienst met een proeftijd van drie jaren. Eind 1990 bereikten gedaagde signalen dat eiser contacten zou hebben met het "criminele milieu" van Schiedam. Eiser is hierover onderhouden waarbij hem is geadviseerd zelf ontslag te nemen. Op 15 februari 1991 verzocht eiser ontslag met ingang van 1 maart 1991; op 21 februari 1991 trok hij dit verzoek in; op 28 februari 1991 deelde de korpschef hem mee niet tot heroverweging van het ontslag over te gaan; op 13 maart 1991 werd het ontslag verleend. Het hoger beroep is blijkens de mededeling van eisers raadsman gericht zowel tegen de in de aangevallen uitspraak gegeven motivering van de nietigverklaring van het ontslagbesluit als tegen de gedektverklaring. Wat betreft de motivering van de nietigverklaring van het ontslagbesluit heeft de eerste rechter onder meer overwogen dat de omstandigheid, dat de korpschef de intrekking door eiser van zijn ontslagverzoek niet aan gedaagde heeft doorgegeven, waardoor deze die intrekking niet in de afweging heeft kunnen betrekken, een zodanig gebrek van het bestreden besluit vormt dat dit niet kan worden gehandhaafd. De eerste rechter voegde hieraan toe: "klagers gemachtigde niet te kunnen volgen in diens stelling dat het ontslagbesluit als het ware puur op grond van de intrekkingsverklaring aantastbaar zou zijn: dat zou wellicht anders zijn indien deze verklaring het bevoegde orgaan tijdig zou hebben bereikt, doch dat is juist in casu niet geschied." De Raad overweegt te dien aanzien dat, wanneer een verzoek om ontslag wordt ingetrokken en die intrekking vóór het nemen van het ontslagbesluit te bestemder plaatse - in casu de korpschef - kenbaar wordt gemaakt, de grondslag aan een op verzoek te verlenen ontslag is komen te ontvallen. Dat gedaagde van de intrekking van het ontslagverzoek niet op de hoogte was gesteld - ook naar 's Raads oordeel een ernstige nalatigheid van de korpschef - is voor deze conclusie niet doorslaggevend. Met betrekking tot de gedektverklaring heeft de eerste rechter overwogen: "- dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de stelling van verweerder, dat ook al was men wél van de intrekkingsverklaring op de hoogte geweest, er evenzeer tot ontslag zou zijn besloten op grond van de lezing welke verweerder bij contra-memorie heeft gegeven van het gesprek met klager op 15 februari 1991 (kort gezegd: klager is toen in het geheel niet onder druk gezet en had juist tot 20 februari 1991 de tijd gekregen om een en ander te overdenken); - dat klager de eigenlijke achtergrond van het ontslag(-verzoek), te weten dat hij voor een politiefunctionaris niet acceptabele contacten had in het "criminele milieu" van Schiedam, niet in essentie heeft weersproken; - dat klager omtrent de "grote psychische spanning" waaronder hij op 15 februari 1991 zou hebben gestaan niets naders heeft gesteld (klager stond toen en vlak nadien, naar is erkend, niet onder enige medische behandeling)." De Raad kan de eerste rechter hierin niet volgen. Zonder elke conversie bij voorbaat en ten principale af te wijzen, acht de Raad een gedektverklaring, welke in feite het effect heeft van een omzetting van een ontslag op verzoek in een ontslag wegens ongeschiktheid, niet aanvaardbaar. Een dergelijke omzetting miskent de grenzen van de rechterlijke mogelijkheden in verband met de verschillen tussen beide ontslagvormen terzake van onder meer de procedure, de opzegging, het onderzoek naar de feiten, de ontslaguitkering en eventuele andere rechtsgevolgen; bovendien rijst in dit geval de vraag - de Raad spreekt zich hierover niet uit - of de aan de eerste rechter en de Raad bekende feitelijke grondslag, die anonieme verklaringen en tal van veronderstellingen bevat, voor een ongeschiktheidsontslag toereikend zou zijn. Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de gedektverklaring niet in stand kan blijven. Tenslotte overweegt de Raad het volgende. Wat de proceskosten betreft dient toepassing te worden gegeven aan art. 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht (K.B. 22-12-93, Stb. 763). Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om gedaagde als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser, welke met toepassing van het genoemde Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op ƒ 2840,- als kosten van verleende rechtsbijstand en op ƒ 32,42 als reis- en verblijfkosten, totaal derhalve ƒ 2872,
- Van andere kosten is de Raad niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging krachtens de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden heeft geprocedeerd, ingevolge art. 8:75 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze Raad. Beslist moet worden als volgt: III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart met gegrondverklaring van het beroep het bestreden ontslagbesluit alsnog nietig; Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding in beide instanties aan de zijde van eiser gevallen, ten bedrage van ƒ 2872,42; Wijst de gemeente Schiedam aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; Bepaalt dat de betaling van dat bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de Centrale Raad van Beroep. Aldus gegeven door mr. J. Boesjes als voorzitter en mr. H.A.A.G. Vermeulen en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 1994 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier. (get.) J. Boesjes. (get.) P.H. Schippers.