AW 1993/242 U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., eiser, en de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, in dit geding rechtsopvolger van de Burgemeester van de gemeente Amsterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens eiser is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 4 maart 1993 onder nr. AW 91/1314/14 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een schriftelijke reactie op het beroepschrift aan de Raad gezonden. Desgevraagd zijn nadere stukken verstrekt. Het geding is behandeld ter terechtzitting van 29 september 1994, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.W.M. Huisman, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij gedaagdes organisatie. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht in werking getreden en de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten Ambtenarenwet - gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende: Eiser, hoofdopzichter in de functie van hoofd X. bij de dienst Y. (schaal 8), is met ingang van 1 december 1986 belast met de waarneming van de functie van zijn directe chef, de functie van chef beheer X. (schaal 9). Ter zake van evenbedoelde waarneming is eiser bij besluit van 4 mei 1988 met ingang van 1 december 1986 een waarnemingstoelage toegekend onder bepaling dat die toelage wordt verleend tot uiterlijk het moment waarop de geplande reorganisatie bij de dienst Y. zal worden geëffectueerd. De chef dienst Y. heeft de dienstleiding op 23 juni 1989 verzocht eiser te bevorderen naar schaal
- Toen een reactie daarop uitbleef heeft eiser op 7 juli 1990 en 15 november 1990 eenzelfde verzoek gedaan. In reactie daarop is bij besluit van 11 maart 1991 geweigerd eiser te benoemen in de door hem bij wijze van waarneming uitgeoefende functie en hem te bevorderen naar schaal
- Een en ander onder overweging dat de ten tijde van het bestreden besluit voorgenomen reorganisatie van de dienst Y., waarbij naar het zich liet aanzien de functie van chef beheer X. zou komen te vervallen, nog niet was afgerond. Eisers beroep tegen het besluit van 11 maart 1991 is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat, waar de afronding van de reorganisatie van de dienst Y. op zich liet wachten, hem gelet op dat tijdsverloop de gevraagde bevordering naar schaal 9, al dan niet met benoeming in de functie van chef beheer X., niet langer kan worden onthouden. De Raad overweegt het volgende: Eiser is per 1 december 1986 belast met de waarneming van de per die datum vacerende functie van zijn directe chef omdat definitieve vervulling van die vacature in het licht van de - toen - bestaande reorganisatieplannen met betrekking tot de dienst Y. niet opportuun werd geacht. Uit de beschikbare gegevens is de Raad niet gebleken dat - voor zover hier van belang - de functie van chef beheer X. op en na 1 december 1986 relevante wijziging heeft ondergaan en eiser die functie niet steeds volledig en naar behoren heeft waargenomen. De reorganisatieplannen, tegen de achtergrond waarvan is besloten eiser te belasten met de waarneming van de functie van zijn chef en hem te dier zake een waarnemingstoelage toe te kennen, zijn niet tot een afronding gekomen en zijn in 1989/1990 vervangen door nieuwe reorganisatievoornemens. Bij het bestreden besluit is eiser de door hem gewenste bevordering geweigerd onder verwijzing naar die nieuwe reorganisatieplannen en de op grond daarvan mogelijke organisatiewijzigingen. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een redelijke belangenafweging. Naar zijn opvatting had niet kunnen worden volstaan met het vooropstellen van gedaagdes belangen bij die nieuwe (overigens ten tijde van de zitting van de Raad weer herziene en nog steeds niet geëffectueerde) reorganisatievoornemens. Daardoor is naar het oordeel van de Raad miskend dat in casu sprake was van een reeds zeer geruime tijd bestaande situatie waarin definitieve besluitvorming over en effectuering van (gewijzigde) reorganisatie-plannen als maar uitbleef. Onder die omstandigheden gaat het naar de opvatting van de Raad niet aan, zoals bij het bestreden besluit is geschied, de voor de ambtenaar aan een onvoltooid reorganisatieproces klevende negatieve consequenties ten laste van die ambtenaar te laten als zou het gaan om een (eerste) volgens plan verlopend reorganisatievoornemen. Het aan de (gewijzigde) reorganisatieplannen toe te kennen gewicht ten opzichte van de belangen van de individuele ambtenaar had in die situatie dienen te worden gerelativeerd. Gedaagde had naar de opvatting van de Raad in het onderhavige geval dan ook meer gewicht moeten toekennen aan eisers belang bij wijziging van de langdurige waarneming in een definitieve benoeming in de betrokken functie onder toekenning van de daaraan verbonden bezoldiging. De Raad heeft hierbij tevens laten wegen dat gedaagdes gemachtigde ter zitting heeft verklaard dat gedaagde in beginsel van opvatting is dat waarneming niet langer dient te duren dan maximaal een tot anderhalf jaar, en voorts dat niet enig (ander) belang van gedaagde naar voren is gebracht dat zich tegen bevordering van eiser zou verzetten. Gelet op het voorgaande moet worden geconstateerd dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en het bestreden besluit alsnog nietig dient te worden verklaard. In de gegeven omstandigheden ziet de Raad aanleiding gedaagde te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 1.420,- aan kosten wegens aan eiser verleende rechtsbijstand en f 119,20,- als overige kosten, derhalve f 1.539,20 in totaal. Beslist wordt dan daarom als volgt: III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het bestreden besluit alsnog nietig; Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot f 1539,20, te betalen door de politieregio Amsterdam-Amstelland. Aldus gegeven door mr. H. Bekker als voorzitter en mr. H.A.A.G. Vermeulen en mr. W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Beijer als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 1994 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier. (get.) H. Bekker. (get.) A.H. Beijer.