ABW 1994/452 U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Commissie Sociale Zekerheidsgeschillen van de provincie Noord-Holland, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij beschikking van 14 mei 1992 is namens het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] (hierna: het College) op grond van artikel 21 van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen (BZ) een nadere beslissing genomen met betrekking tot de aan appellant over de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1991 in de vorm van een renteloze lening verstrekte periodieke bijstand voor de kosten van levensonderhoud en bepaald dat een bedrag groot f 4.872,68 dient te worden terugbetaald. Beslissende op het tegen deze beschikking ingediende bezwaarschrift heeft het College bij beslissing van 6 november 1992 de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Bij besluit van 10 juni 1994 heeft gedaagde het door appellant tegen de hiervoor vermelde beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard. Door appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. Namens gedaagde is als verweer aangevoerd dat het gestelde in het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van nadere opmerkingen. Het geding is behandeld ter zitting van 20 april 1995 waar appellant in persoon is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr Th.J.A. Janssen, werkzaam bij de provincie Noord-Holland. Het College, als partij aan het geding deelnemend, heeft zich laten vertegenwoordigen door drs N. Pavelková, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden. Appellant heeft op 3 juli 1991 op grond van het BZ een aanvraag ingediend om bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze aanvraag hield verband met het feit dat appellant op 1 augustus 1991 als vennoot is toegetreden tot de vennootschap onder firma [S. ] samen met [P. ] en [R. ], welke laatste het bedrijf in 1988 is begonnen als een eenmanszaak. Bij beschikking van 17 december 1991 is appellant als beginnend zelfstandige op grond van artikel 24, derde lid, in verbinding met artikel 15 van het BZ ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bijstand in de vorm van een renteloze lening verstrekt voor een periode van 6 maanden, derhalve van 1 augustus 1991 tot 1 februari
- Bij deze beschikking is tevens aangegeven dat op grond van artikel 21 van het BZ het definitieve bijstandsbedrag wordt vastgesteld zodra het inkomen uit bedrijf of beroep over het boekjaar, waarop de uitkering betrekking heeft, aan de hand van de jaarrekening kan worden bepaald. Bij brief van 13 februari 1992 heeft appellant de door een administratiebureau over de periode 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1991 opgestelde rekening van verlies en winst toegezonden. Vervolgens is bij beschikking van 12 mei 1992 op grond van artikel 21 van het BZ een nadere beslissing genomen met betrekking tot de aan appellant over de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1991 in de vorm van een renteloze lening verstrekte periodieke bijstand voor de kosten van levensonderhoud, en bepaald dat een bedrag groot, f 4.872,68 dient te worden terugbetaald. In het tegen deze beschikking ingediende bezwaarschrift voert appellant aan dat het boekjaar ten onrechte is vastgesteld op 1 augustus 1991 tot 1 januari
- Hij is op 1 augustus 1991 als zelfstandige begonnen en het bedrijf heeft tot 1 januari 1992 winst gemaakt. De eerste maanden van 1992 heeft het bedrijf verlies geleden. Naar zijn mening dient het boekjaar te lopen van 1 augustus 1991 tot 1 augustus 1992, hetgeen hij, zo wordt gesteld, ook aan de Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD) heeft verzocht. Appellant is voorts van mening dat zijn inkomen ten onrechte is verhoogd met een forfaitair percentage in verband met het privé-gebruik van een bedrijfsauto. Tenslotte voert appellant aan dat bij de hoogte van de door hem betaalde premie voor zijn ziektekostenverzekering ten onrechte geen rekening is gehouden met de hoogte van het zogeheten eigen risico. Bij beslissing van 6 november 1992 heeft het College de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Hierbij is onder meer het volgende overwogen: "Ingevolge het bepaalde in artikel 21 van het BZ nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de in een jaar verleende bijstand in de vorm van een renteloze geldlening. Daartoe wordt het inkomen uit bedrijf definitief vastgesteld aan de hand van de jaarrekening. Indien de jaarnorm, verminderd met de in het desbetreffende jaar behaalde inkomsten minder is dan de reeds verleende bijstand, wordt een bedrag ter grootte van het verschil teruggevorderd. Uit het bepaalde in dit artikel blijkt dat het inkomen op jaarbasis in aanmerking wordt genomen bij de vaststelling van de definitieve bijstand. De door u gegeven argumenten vormen geenszins aanleiding om het boekjaar alsnog te wijzigen. In het samenwerkingscontract werd afgesproken het boekjaar gelijk te laten lopen met het kalenderjaar; bovendien is dit naar de belastingdienst toe ook als zodanig gehandhaafd. Wij menen dat een eenmaal gekozen stelsel van winstberekening in principe bestendig dient te worden gevolgd en niet kan worden vervangen door een ander stelsel, teneinde een incidenteel voordeel of een hogere uitkering te behalen. Ten aanzien van de autokosten hebben wij het volgende overwogen. Blijkens de bepalingen in de belastingwetgeving bestaat de mogelijkheid om af te wijken van de 20%-regeling terzake van autokosten, indien door de zelfstandige door middel van een kilometeradministratie wordt aangetoond dat er privé voor minder dan 1000 km. per jaar wordt verreden. Wij achten het ook voor de berekening van de definitieve bijstand krachtens het BZ aanvaardbaar deze regel toe te passen. Het behoort immers niet zo te zijn dat zelfstandigen, die bijstand op grond van dit besluit ontvangen, op kosten van de gemeenschap (door middel van bijstandsverlening) privé in een auto kunnen rijden. Nu gebleken is dat een administratie als voornoemd niet is bijgehouden door uw bedrijf, kan niet worden vastgesteld of het bedrag van f 15.297,76 louter zakelijk is verreden. Derhalve kan voor de vaststelling van de definitieve bijstand met het forfaitair bedrag van f 4.288,-- geen rekening worden gehouden en dienen de autokosten te worden gehandhaafd op f 11.009,
- Ten aanzien van de kosten eigen risico ziektekosten hebben wij overwogen dat u bewust heeft gekozen voor een lagere ziektekostenverzekeringspremie en hiermee een eigen risico aanvaard. In verband met deze omstandigheid zien wij dan ook geen aanleiding om dit eigen risico te compenseren via het BZ.". Het tegen deze beslissing ingestelde beroep heeft gedaagde bij besluit van 10 juni 1994 ongegrond verklaard, hierbij onder meer het volgende overwegende: "In bezwaar en beroep voert u aan dat u de GSD hebt verzocht om het boekjaar te laten lopen van 1 augustus 1991 tot 1 augustus 1992, omdat u in de eerste helft van de periode met uw onderneming een winst hebt behaald en in de tweede helft een verlies, waardoor u een lager inkomen zou hebben behaald. Omtrent het vorenstaande hebben wij het volgende overwogen. Uit de nota van toelichting op het BZ blijkt dat het inkomen uit bedrijf of beroep wordt vastgesteld over een boekjaar. Dit boekjaar behoeft niet samen te vallen met kalenderjaar. In het BZ wordt volgens de nota van toelichting aangesloten bij het boekjaar waarvoor de zelfstandige heeft gekozen. Ingevolge artikel 8.1 van de overgelegde vennootschapsovereenkomst valt het boekjaar samen met het kalenderjaar, met uitzondering van het eerste jaar, welk boekjaar loopt van aanvang vennootschap tot einde kalenderjaar. Wij zijn dan ook van oordeel dat u zelf hebt gekozen voor aansluiting van het boekjaar bij het kalenderjaar. Onzes inziens heeft de gemeente bij de vaststelling van uw inkomen juist gehandeld door het in 1991 behaalde inkomen als uitgangspunt te nemen, daar dit aansluit bij de door uw vennootschap gemaakte keuze. Uw verzoeken van 10 en 13 april 1992 om het boekjaar te laten lopen van 1 augustus 1991 tot 1 augustus 1992, vanwege het feit dat u in de tweede helft van deze periode verlies heeft geleden, kan niet tot een ander oordeel leiden. Wij zijn van oordeel dat een eenmaal gekozen wijze van vaststelling van het boekjaar niet achteraf gewijzigd kan worden om te bereiken dat een lager bedrag dient te worden terugbetaald. (....) Vervolgens voert u aan dat de gemeente ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de fictieve bijtelling in verband met privégebruik van de zakelijk auto's. Uit de stukken is gebleken dat op de autokosten van de vennootschap over 1991 ad f 15.297,76 een forfaitair bedrag van f 4.288,-- in mindering is gebracht. Dit conform de zogenaamde 20% regeling, inzake privégebruik van zakelijke auto's. Naar uw mening hebt u in het jaar 1991 minder dan 1000 kilometer privé gereden, op grond waarvan afgeweken dient te worden van voornoemde regeling. Met burgemeester en wethouders zijn wij van oordeel dat gezien het feit dat u geen privé-kilometeradministratie hebt bijgehouden, geen rekening dient te worden gehouden met de fictieve bijtelling. Ten aanzien van het eigen risico verbonden aan de ziektekostenverzekering, voert u aan dat bij de vaststelling van het inkomen ten onrechte geen rekening is gehouden met het hoge eigen risico dat u hebt voor uw ziektekostenverzekering. Uit de stukken is gebleken dat u over het jaar 1991 voor f. 178,45 aan ziektekosten heeft gehad. U bent van mening dat hiermee rekening gehouden dient te worden, daar u door het hoge eigen risico een lagere maandelijkse premie heeft. Naar ons oordeel biedt het BZ geen mogelijkheid om gemaakte ziektekosten in geval van een hoog eigen risico van het inkomen af te trekken. Voorts liggen de door u gemaakte kosten beneden de gebruikelijke hoogte van het eigen risico, zodat u deze, ook bij een hogere premie met een lager eigen risico, zelf had moeten voldoen. Voorts voert u aan dat u bij de behandeling van uw bezwaarschrift gehoord had dienen te worden door burgemeester en wethouders of een adviescommissie. U acht het feit dat u bent opgebeld door een ambtenaar onvoldoende. Uit de stukken is ons gebleken dat u bij schrijven van 12 augustus 1992 bent uitgenodigd om uw bezwaarschrift nader mondeling toe te lichten. Op 18 augustus 1992 heeft u uw bezwaarschrift telefonisch nader toegelicht. Voorts is ons gebleken dat het horen naar aanleiding van een bezwaarschrift bij gemeentelijke verordening in uw gemeente is opgedragen aan de behandelende ambtenaar van de sectie bezwaar. Gezien bovenstaande zijn wij van oordeel dat u voldoende in de gelegenheid bent gesteld om uw bezwaren mondeling toe te lichten. Omtrent uw stelling dat is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel doordat uw gewezen mede-vennoot de heer Van [P. ] bij gelijke omstandigheden zijn uitkering die hij ontving via een andere gemeente niet hoeft terug te betalen, merken wij op dat hiervan geen sprake kan zijn omdat de ter vergelijking genoemde beslissing niet door burgemeester en wethouders van uw gemeente is genomen. Bovendien komt aan burgemeester en wethouders bij de toepassing van de ABW een eigen verantwoordelijkheid toe.". Appellant kan zich niet met dit besluit verenigen. Met betrekking tot de gronden waarop dit beroep berust verwijst appellant naar hetgeen door hem in bezwaar en beroep is aangevoerd. De Raad overweegt het volgende. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het BZ nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de in de vorm van een renteloze lening verstrekte bijstand. Daartoe wordt na afloop van het boekjaar aan de hand van de jaarrekening over het boekjaar het inkomen uit bedrijf of beroep definitief vastgesteld. Blijkens de Nota van Toelichting van het BZ behoeft een boekjaar niet samen te vallen met het kalenderjaar en wordt bij de toepassing van dit besluit aangesloten bij het boekjaar waarvoor de zelfstandige heeft gekozen. In artikel 8, eerste lid, van het tot gedingstukken behorende vennootschapscontract is bepaald dat het boekjaar van de vennootschap samen valt met het kalenderjaar, behoudens het eerste boekjaar, dat zal lopen van de dag van aanvang der vennootschap tot het einde van het lopende kalenderjaar. Geheel in overeenstemming met deze bepaling is door het administratiekantoor van de vennootschap per 31 december 1991 de balans opgesteld alsmede over de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1991 de winst- en verliesrekening. Gelet op de keuze die appellant en zijn mede-vennoten aldus hebben gemaakt ter bepaling van de eerste boekperiode van de vennootschap is er geen reden om achteraf alsnog uit te gaan van een boekjaar dat loopt van 1 augustus 1991 tot 1 augustus
- Ter zitting heeft appellant nog verwezen naar de in het ondernemingsplan opgenomen liquiditeitsprognose welke een periode van 12 opeenvolgende maanden bestrijkt beginnende bij augustus
- Hieruit kan naar het oordeel van de Raad echter niet worden afgeleid, dat voor de vennootschap een boekjaar is gekozen dat loopt van 1 augustus 1991 tot 1 augustus
- Voorts heeft appellant nog aangevoerd dat het vennootschapscontract eerst in november 1991 aan de GSD ter hand werd gesteld, doch ook dit is geen omstandigheid op grond waarvan geen rekening behoeft te worden gehouden met de in dit contract met betrekking tot het boekjaar uitdrukkelijk gemaakte keuze. De Raad is dan ook met gedaagde van oordeel dat het College terecht overeenkomstig het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van het BZ het aandeel van appellant in de winst van de vennootschap heeft vastgesteld aan de hand van de jaarrekening over de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december
- Artikel 24 van het BZ, welk artikel ten aanzien van beginnende zelfstandigen afwijkende bepalingen bevat, biedt geen basis om af te wijken van de in artikel 21, eerste lid, van het BZ voorgeschreven berekeningswijze. Met betrekking tot de grief van appellant inzake het bij het bepalen van de hoogte van zijn inkomen in aanmerking nemen van een bepaald bedrag in verband met het privé-gebruik van een bedrijfsauto overweegt de Raad het volgende. In de Nota van Toelichting van het BZ is aangegeven dat onder bedrijfs- of beroepsinkomen moet worden verstaan: "alle bedrijfs- of beroepsbaten verminderd met de bedrijfs- of beroepslasten, inclusief de afschrijvingen naar goed koopmansgebruik, maar exclusief de aflossingen." Op grond hiervan moet worden aangenomen dat privé-kosten niet ten laste van de bedrijfswinst mogen worden gebracht. Blijkens de door appellant ingediende jaarrekening bedroegen de autokosten f 15.297,76, op welk bedrag blijkens de jaarstukken overeenkomstig de door de fiscus gehanteerde regels een forfaitair bedrag van f 4.288,- in mindering is gebracht in verband met privé-gebruik van de beide bedrijfsauto's. Van dit laatste bedrag is f 878,84 bij het inkomen van appellant gevoegd. Appellant heeft voorts geen zogeheten kilometeradministratie bijgehouden zodat niet is aangetoond dat het in de jaarstukken genoemde bedrag van f 15.297,76 verband houdt met uitsluitend ten behoeve van de vennootschap gemaakte autokosten. In beroep voert appellant dienaangaande nog aan dat het College eerst achteraf naar voren heeft gebracht dat de bijtelling had kunnen worden vermeden, indien hij een kilometeradministratie had bijgehouden. Appellant stelt dat hij op geen enkele manier is geïnformeerd dat deze mogelijkheid bestond. De Raad wijst er evenwel op dat, nog daargelaten dat de administratie van de vennootschap is geschied door een administratiekantoor waarvan mag worden aangenomen dat deze op de hoogte is van de ter zake bestaande mogelijkheden, appellant in zijn aan gedaagde gerichte beroepschrift onder meer heeft aangegeven dat gelet op de geringe omvang van de inkomsten van vennoten de bijtelling vrijwel geen invloed zou hebben op de belastingaangifte en dat om die reden geen kilometeradministratie is bijgehouden. De Raad kan hieruit niet anders afleiden dan dat appellant reeds eerder dan de beslissing van het College van 6 november 1992 op de hoogte was van de mogelijkheid van het bijhouden van een kilometeradministratie, doch hiervan bewust heeft afgezien. Gedaagde heeft dan ook in navolging van het College terecht besloten dat het in de jaarrekening vermelde bedrag aan autokosten dient te worden gehandhaafd op f 11.009,
- Appellant voert voorts als grief aan dat bij de bepaling van de hoogte van zijn inkomen ten onrechte geen rekening is gehouden met de hoogte van het bedrag aan eigen risico in het kader van zijn ziektekostenverzekering en alleen in aanmerking is genomen de hoogte van de door hem betaalde premie. Dienaangaande overweegt de Raad dat op grond van het bepaalde in artikel 4, vierde lid, van het Bijstandsbesluit landelijke normering slechts rekening kan worden gehouden met het bedrag van de ten laste van appellant blijvende premie van diens ziektekostenverzekering. Voor het tevens rekening houden met de hoogte van het bedrag aan eigen risico biedt evengenoemde bepaling dan ook geen ruimte. Door appellant wordt overigens nog aangevoerd, dat hij bij de behandeling van zijn tegen de beschikking van 14 mei 1992 gerichte bezwaarschrift niet door het College is gehoord en evenmin door de Commissie Zelfstandigen die het College inzake de toepassing van het BZ adviseert. Wel heeft hij zijn bezwaarschrift telefonisch bij de behandelend ambtenaar van de Afdeling Bezwaar en Beroep van de GSD toegelicht, doch dit acht hij onvoldoende. Hieromtrent overweegt de Raad dat noch uit de Algemene Bijstandswet (ABW), noch uit de door de gemeenteraad van Amsterdam ten tijde in geding geldende, op grond van artikel 38 (oud) van de ABW vastgestelde verordening een verplichting valt af te leiden inhoudende dat appellant diende te worden gehoord door de Commissie Zelfstandigen dan wel door het College. Tenslotte heeft appellant evenals in zijn aan de behandelend ambtenaar van de Afdeling Bezwaar en Beroep van de GSD gerichte brief van 3 september 1992 en in zijn aan gedaagde gerichte beroepschrift aangevoerd dat hij van mening is dat, nu [P. ] de hem verstrekte bijstand niet behoeft terug te betalen, hij zich er niet mee kan verenigen dat hij de door het College verleende bijstand wel dient terug te betalen. De Raad merkt op dat deze, ook aan het College en aan gedaagde gerichte grief betrekking heeft op de terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand. Ter zake hiervan is - zolang de ABW op dit punt niet is gewijzigd - de burgerlijke rechter competent. Gedaagde had dan ook de beslissing op bezwaar dienen te vernietigen in zoverre en het daarop betrekking hebbende bezwaar alsnog niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De Raad zal daarom in zoverre het bestreden besluit en de beslissing op bezwaar vernietigen en appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaren in dat bezwaar. De Raad is niet gebleken van aan de zijde van appellant gevallen proceskosten, zodat geen termen aanwezig zijn voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tenslotte stelt de Raad vast dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, het door appellant gestorte griffierecht ad f 50,-- door de provincie Noord-Holland dient te worden vergoed. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit en de beslissing van het College van 6 november 1992 voorzover deze betrekking hebben op de terugvordering van verleende bijstand; Verklaart het bezwaar van appellant tegen de beschikking van 14 mei 1992 van het College in zoverre alsnog niet-ontvankelijk; Verklaart het beroep voor het overige ongegrond; Bepaalt dat de provincie Noord-Holland aan appellant het door hem gestorte griffierecht ad f 50,-- vergoedt. Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van T.W.J.M. Weijers als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 1995 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van A.H. Berends als griffier. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) A.H. Berends. (get.) T.W.J.M. Weijers.