← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1995:ZB3191

AAW 1993/V 56 O. U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., verzoekster, en het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens verzoekster, geboren in 1971 en wegens geestelijke retardatie ten laste van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (hierna: AWBZ) opgenomen in een inrichting, is op 1 mei 1991 aan het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (hierna: het bestuur) verzocht om verstrekking van een vervoersvoorziening krachtens artikel 57 lid 2 (oud) van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW). Bij voor beroep vatbare beslissing van 13 december 1991 is dat verzoek, in het voetspoor van het door de Gemeenschappelijke Medische Dienst (hierna: GMD) uitgebracht advies van 18 september 1991, door dat bestuur afgewezen. De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 21 december 1992 het namens verzoekster tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Blijkens die uitspraak spitste het daarbij besliste geschil zich toe op de vraag of de extra kosten, verbonden aan de voor verzoekster bij gebruikmaking van het openbaar vervoer vereiste begeleiding, in aanmerking kunnen komen voor vergoeding bij wijze van voorziening krachtens de AAW. Dienaangaande heeft de rechtbank, uitgaande van de krachtens artikel 57 (oud) van de AAW geldende afbakening ten opzichte van het terrein van de gezondheidszorg, geoordeeld dat die begeleiding in beginsel behoort tot de verzorgingstaak van de inrichting waar verzoekster ten laste van de AWBZ verblijft en dat er deswege geen ruimte is voor vergoeding krachtens de AAW. Het vanwege verzoekster door mr A. Schreurs, advocaat te Tilburg, tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep is bij deze Raad geregistreerd onder nr AAW 1993/V

  1. Bij beroepschrift is in dat geding aan de Raad onder meer verzocht te bepalen dat verzoekster, gezien haar deels buiten de inrichting gelegen sociale contacten en de daarbij vereiste begeleiding bij het vervoer, in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening ingevolge de AAW. Voormeld hoger beroep en het daarop gevolgd (hierna te melden) verzoek om een proceskostenveroordeling zijn achtereenvolgens door de Raad mondeling behandeld op 12 april 1994 en 30 mei
  2. Verzoekster is daar niet verschenen terwijl genoemd bestuur zich tijdens die zittingen successievelijk heeft doen vertegenwoordigen door mr H.J.A. Bos en mr L.B.F.M. Helwig, beiden werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. Tijdens eerstgenoemde zitting, is namens het bestuur desgevraagd onder meer het volgende naar voren gebracht: "Ik heb geen nadere informatie over de (on)mogelijkheid van het personeel van Huize X. om begeleiding te bieden, maar ik maak uit de stukken op dat de ouders die begeleiding zonder meer bieden. De begeleidingskosten wil men vergoed krijgen. Naar aanleiding van de jurisprudentie van de Centrale Raad heeft de bedrijfsvereniging een nieuw beleid ontwikkeld dat bekend is gemaakt in 1993, maar dat al gelding had in 1991, het jaar waarin dat beleid tot ontwikkeling kwam. Vraag is of de gehandicapte zelfstandig in enigerlei mate sociale contacten kan leggen en onderhouden, en daarmee wordt dan bepaald wat het thuis is van die persoon. Men wil rekening houden met de behoefte van met name een volwassene wat het houden van eigen, individuele sociale contacten die niet betreffen het zogenaamde weekendvervoer en de collectieve recreatie vanuit de inrichting. Dat zou dan een vervoersbehoefte kunnen zijn waarin niet voorzien kan worden door personeelsgebrek bij een dergelijke inrichting. Dat zou dan een vervoersbehoefte kunnen zijn waarin niet voorzien kan worden door personeelsgebrek bij een dergelijke inrichting. Dat houdt in dat een kilometervergoeding of taxikostenvergoeding wordt toegekend wanneer de belanghebbende niet van het openbaar vervoer gebruik kan maken of niet terug kan vallen op begeleiding van vaste verzorgers buiten de inrichting (bijvoorbeeld ouders) en dat als wel van openbaar vervoer gebruik gemaakt kan worden en die begeleiding in beginsel beschikbaar is er dan een begeleidingsvergoeding wordt verstrekt. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat er een kosteloze begeleidersregeling bestaat in het openbaar vervoer en dat niet alle ritten voor de begeleider gratis zijn. Voor 1993 is een forfaitair normbedrag vastgesteld van f 1.150,- . Deze regeling is in principe op deze zaak van toepassing en op dit moment wordt onderzocht of in casu die regeling kan worden toegepast. Uit gedingstuk 41 is naar voren gekomen dat de inrichting als thuis gezien kan worden en dat er een zekere mate van zelfstandig contact onderhouden aanwezig is.". Aansluitend heeft het bestuur bij brief (met bijlage) d.d. 9 mei 1994 zijn zoëvengenoemd begunstigend beleid met betrekking tot begeleidingskosten als hier in geding nader toegelicht. Omdat dit beleid (reeds) in 1991 was ontwikkeld en werd toegepast heeft het bestuur, naar uit genoemde bijlage blijkt, alsnog gehoor gegeven aan de destijds vanwege verzoekster gedane aanvraag en haar met ingang van die datum, te weten 1 mei 1991, de krachtens voormeld beleid geldende forfaitaire vergoeding terzake begeleidingskosten toegekend. Daarop is namens verzoekster bij brief van 22 augustus 1994 het ingestelde hoger beroep ingetrokken en verzocht het bestuur bij afzonderlijke uitspraak als bedoeld in art 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te veroordelen in de kosten van de procedure. In reactie hierop heeft het bestuur bij brief (met bijlage) van 17 oktober 1994 de Raad in overweging gegeven dat verzoek af te wijzen dan wel gebruik te maken van de in art 2, lid 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vervatte matigingsbevoegdheid. Met betrekking tot dat laatste is in de zoëvengenoemde brief aangevoerd dat het bestuur slechts gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan hetgeen bij beroepschrift was verzocht aangezien werd volstaan met toekenning van een forfaitaire vergoeding op basis van begeleidingskosten bij openbaar vervoer, zulks terwijl vanwege verzoekster met name om een kilometervergoeding was gevraagd. II. MOTIVERING Artikel 8:75, derde lid, van de Awb zoals die bepaling ten tijde hier van belang luidde, bepaalt dat ingeval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten kan worden veroordeeld. Naar uit de onderliggende stukken valt af te leiden, kan verzoekster van het openbaar vervoer gebruik maken en voor de daarbij benodigde begeleiding beschikken over hulp van onder meer familie. Daarmee voldoet zij aan de krachtens voormeld beleid van het bestuur geldende voorwaarden inzake de zogenaamde begeleidersvergoeding, berekend naar aan het openbaar vervoer gerelateerde normbedragen. Blijkens zijn onder I genoemde brief van 9 mei 1994 heeft het bestuur de in mei 91 (in verband met de voor verzoekster vereiste begeleiding) ingediende aanvraag om een vervoersvoorziening alsnog op de voet van voormeld beleid met terugwerkende kracht tot 1 mei 1991 gehonoreerd. Daarbij heeft het bestuur kennelijk afgezien van een strikte hantering van de - in de uitspraak van de arrondissementsrechtbank onderschreven - wettelijke afbakening van het voorzieningenregime krachtens de AAW. Een en ander resulteerde in een forfaitaire vergoeding van - in totaal - bijna f 3.000,--. Daarmee werd, binnen het kader van meergenoemd begunstigend beleid, verzoekster nagenoeg optimaal tegemoetgekomen. Om die reden is, naar valt aan te nemen, het ingestelde hoger beroep vanwege verzoekster ingetrokken. Uit de door het bestuur gedane mededelingen komt voorts naar voren dat reeds ten tijde van de aanvraag uitvoering werd gegeven aan voormeld begunstigend beleid. Indien dit beleid tijdig ten aanzien van verzoekster zou zijn toegepast had het niet tot de onder I vermelde (appel)procedure behoeven te komen. Mede en met name gelet hierop ziet de Raad voldoende reden om het verzoek om een veroordeling in de gemaakte proceskosten toe te wijzen. Dat niet tijdig, althans eerder had kunnen worden onderkend dat het onderhavige geval zich voor toepassing van voormeld begunstigend beleid leent, is niet gesteld en ligt ook niet voor de hand, alleen al gezien de gegevens, vermeld in de rapporten die in november 1991 zijn uitgebracht door de internaatsarts respectievelijk de verzekeringsgeneeskundige en de wetstechnisch beoordelaar van de GMD. Hetgeen voorts vanwege het bestuur in reactie op het aan de orde zijnde verzoek te berde is gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gegeven om in andere zin te oordelen. Voor de opvatting dat een proceskostenveroordeling krachtens artikel 8:75 van de Awb niet zou zijn bedoeld voor gevallen waarin het bestreden besluit niet werd vernietigd wegens strijd met algemeen verbindende voorschriften, valt geen steun te vinden in de tekst of de ontstaansgeschiedenis van voormeld artikel. Dit klemt temeer nu de destijds in het ontwerp van die bepaling opgenomen beperking, namelijk dat een proceskostenveroordeling slechts mogelijk is jegens een in het ongelijk gestelde partij, bij de Tweede Nota van Wijziging van de Awb is geschrapt. Naar in het vorengaande ligt besloten, is er voldoende grond voor toewijzing van de onderhavige vordering tot veroordeling van het bestuur, met toepassing van artikel 8:75, lid 3 en lid 1, van de Awb, in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van voormeld hoger beroep heeft moeten maken. Daarbij kunnen de kosten van het geding in eerste aanleg, gelet op het overwogene in 's-Raad's uitspraak van 5 april 1994, gepubliceerd in JB 1994, 85, niet worden betrokken aangezien de uitspraak van de eerste rechter is gedaan vóór 1 januari
  3. De Raad begroot de hier in aanmerking te nemen kosten, met inachtneming van artikel 2, lid 1, aanhef en onder a juncto artikel 1, aanhef en onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht, op f 710,--, zijnde de kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de Raad niet gebleken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 80a, vierde lid (oud) van de Beroepswet, stelt de Raad tenslotte vast dat het door eiser zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Veroordeelt het bestuur in de proceskosten van verzoekster in het geding, nummer AAW 1993/V 56, ten bedrage van f 710,--, te betalen door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging aan de griffier van deze Raad; Verstaat dat gedaagde aan verzoeker het gestorte recht van f 75,-- vergoedt. Aldus gegeven door mr P.A.W. Hermans als voorzitter en mr M.I. 't Hooft en mr D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van mr H.J. van Dijk als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 1995 door mr M.I. 't Hooft als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier. (get.) M.I. 't Hooft. (get.) P.A.W. Hermans. (get.) S.A.M. Schoenmaker- (get.) H.J. van Dijk. Zehenpfenning.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.