KBW 1993/84, 85 en 86 O. U I T S P R A A K in de gedingen tussen: A., wonende te B., eiseres, en het bestuur der Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amsterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Bij twee beslissingen, aan eiseres ter kennis gebracht bij brieven van 31 augustus 1990, respectievelijk 1 november 1990, heeft gedaagde geweigerd eiseres ten behoeve van het kind C. kinderbijslag toe te kennen over het vierde kwartaal van 1988 tot en met het tweede kwartaal van 1989, respectievelijk over het derde kwartaal van 1989 tot en met het tweede kwartaal van
- Bij aan eiseres bij brief van 29 oktober 1991 ter kennis gebrachte beslissing heeft gedaagde geweigerd haar ingaande 1 juli 1989 als verplicht verzekerde ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), Algemene Kinderbijslagwet (AKW), Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aan te merken. De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 26 februari 1993 de tegen deze beslissingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft mr J.L. Plokker, advocaat te 's-Gravenhage, de Raad op de bij aanvullend beroepschrift van 8 november 1993 aangevoerde gronden verzocht de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Bij brief van 22 november 1994 heeft de president van de Raad gedaagde enige vragen voorgelegd. Deze zijn beantwoord bij brief van gedaagde van 10 februari 1995, onder bijvoeging, onder meer, van een schrijven namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan gedaagde d.d. 23 december
- De gedingen zijn gevoegd behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 9 augustus
- Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr Plokker, voornoemd, als haar raadsman. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde J. Crompvoets, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Awb. Gedaagdes beslissing van 31 augustus 1990 berust op artikel 2, lid 1, onder f, van het Koninklijk Besluit van 19 oktober 1976, Stb. 557 (hierna: KB 557), tot stand gekomen op grond van onder meer artikel 6 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Eerstgenoemd artikelonderdeel bepaalt dat niet als verzekerde ingevolge de volksverzekeringen wordt aangemerkt de binnen het Rijk verblijf houdende niet-Nederlander, die hetzij:
- diplomatiek of beroepsconsulair vertegenwoordiger van een andere mogendheid is;
- als ambtenaar is toegevoegd aan de onder 1 genoemde persoon;
- als particulier bediende uitsluitend in dienst is van een onder 1 of 2 bedoeld persoon, mits op hem het stelsel van sociale verzekering van een andere mogendheid van toepassing is en het verblijf binnen het Rijk geen duurzaam karakter heeft. In gedaagdes visie is op eiseres, die de Marokkaanse nationaliteit heeft en sedert 23 februari 1981 als secretaresse in dienst is van de Tunesische Ambassade te 's-Gravenhage, het bepaalde sub 2 van toepassing en is eiseres op grond van haar nationaliteit uitgesloten van de verzekering. Gedaagdes beslissing van 1 november 1990 berust op artikel 11, lid 2, van het - eveneens mede op grond van artikel 6 AKW tot stand gekomen - Koninklijk Besluit van 3 mei 1989, Stb. 164 (hierna: KB 164), dat ingaande 1 juli 1989 in de plaats is getreden van het KB
- Genoemde bepaling houdt in dat niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen zijn de leden van het administratieve, technische en bedienende personeel van de diplomatieke zending van een andere mogendheid, hun echtgenoot, kinderen en inwonende overige gezinsleden, indien zij niet duurzaam in Nederland wonen of geen Nederlander zijn. Ook deze bepaling is naar gedaagdes oordeel op eiseres op grond van haar nationaliteit van toepassing, althans van 1 juli 1989 tot 15 juni 1990, op welke laatste datum eiseres de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. In beide beslissingen heeft gedaagde voorts vermeld dat eiseres blijkens inlichtingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken de zogeheten C-status bezit, hetgeen inhoudt dat geen registratie in het bevolkingsregister van de woongemeente behoeft plaats te vinden en zulks evenmin bij de vreemdelingendienst. Gedaagdes beslissing van 29 oktober 1991 houdt in de afwijzing van een door eiseres op grond van artikel 33 van het KB 164 gedaan verzoek om haar ingaande 1 juli 1989 als verplicht verzekerde ingevolge de volksverzekeringen aan te merken. Hiertoe heeft gedaagde overwogen: "U werd vóór 1 juli 1989 reeds op grond van artikel 2, lid 1, sub f van het Koninklijk Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen d.d. 19 oktober 1976, stb. 557 (KB 557) uitgesloten van de verplichte verzekering krachtens bovengenoemde volksverzekeringen. Aangezien toepassing van het op 1 juli 1989 van kracht geworden KB 164 tot handhaving van die uitsluiting heeft geleid (artikel 11, lid 2 van dat KB), is voor u - op grond van de overgangsbepalingen in het KB 164 - dit nieuwe KB 164 automatisch in de plaats getreden van het oude KB 557 met als gevolg dat u van 1 juli 1989 tot 15 juni 1990 niet verzekerd bent geweest. Aan het namens u ingediende verzoek om vanaf 1 juli 1989 toch als verzekerde ingevolge de volksverzekeringen te worden aangemerkt kunnen wij derhalve niet voldoen. U bent derhalve, omdat u tot 15 juni 1990 voldeed aan de voorwaarden van uitsluiting, tot die datum niet verzekerd geweest krachtens de AOW, AWW, AKW, AAW en AWBZ.". De gedingen spitsen zich in wezen toe op de vraag, of gedaagde terecht eiseres op grond van, achtereenvolgens, het KB 557 en het KB 164 over het tijdvak van 1 oktober 1988 tot en met 1 april 1990, c.q. 15 juni 1990, niet verzekerd ingevolge de AKW en, wat betreft de laatstvermelde beslissing, ook ingevolge de overige volksverzekeringen, heeft geacht. Bevestigende beantwoording van deze vraag leidt er immers toe dat ook de laatste beslissing als juist moet worden aangemerkt. De Raad heeft, evenmin als de eerste rechter, gronden gevonden om de in geding zijnde vraag anders dan in bevestigende zin te beantwoorden. Ook de Raad acht niet aan twijfel onderhevig dat eiseres behoort tot de categorie personen, bedoeld in artikel 2, lid 1, onderdeel f, aanhef en sub 2, van het KB 557 - hierboven weergegeven -, waarvan de toepasselijkheid leidt tot een categorische uitsluiting van de verzekering. In dit verband is de omstandigheid dat eiseres duurzaam in Nederland verblijft, hetgeen ook door gedaagde wordt erkend, niet van betekenis. Voorts kan uit de tekst van artikel 11, lid 2, van het KB 164 - eveneens hierboven weergegeven - geen andere conclusie worden getrokken dan dat het voldoen aan één van de twee genoemde voorwaarden, het niet duurzaam in Nederland wonen of het geen Nederlander zijn, leidt tot niet-verzekering. Met gedaagde en de eerste rechter is de Raad voorts van oordeel dat er geen bepalingen van internationaal recht zijn aan te wijzen welke in de weg zouden staan aan toepassing van de hier bedoelde nationaalrechtelijke bepalingen, in welk verband in eerste aanleg met name is verwezen naar de verdragen inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Tunesië, respectievelijk Marokko. In hoger beroep is de niet-toepasselijkheid van deze verdragen niet meer als geschilpunt aan de orde gesteld, zodat de Raad op dit onderdeel verwijst naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak. Bij de behandeling in hoger beroep is twijfel gerezen met betrekking tot de overeenstemming van de in gedaagdes beslissingen toegepaste bepalingen inzake uitsluiting van de verzekering met het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 (Trb. 1962, 159, hierna: het verdrag), voor Nederland van kracht geworden op 7 oktober 1984, in het bijzonder met artikel 37, lid 2, van het verdrag. Deze bepaling luidt, voorzoveel hier van belang: "Leden van het administratieve en technische personeel van de zending, alsmede inwonende gezinsleden, genieten, indien zij geen onderdaan zijn van, of niet duurzaam verblijf houden in, de ontvangende staat, de in de artikelen 29 tot en met 35 omschreven voorrechten en immuniteiten (....)." In de - authentieke - Engelse tekst (Trb.1962, 101) luidt deze bepaling: "Members of the administrative and technical staff of the mission (...), shall, if they are not nationals of or permanently resident in the receiving State, enjoy the privileges and immunities (...)." De suggestie dat in de nationale bepalingen een overeenkomstige regeling als in het verdragsartikel zou zijn neergelegd, wordt met name gewekt door de omstandigheid dat zowel bij de totstandkoming van de laatstgeldende tekst van artikel 2, lid 1, onder f van het KB 557 (bij Koninklijk Besluit van 20 augustus 1984, Stb. 398) als bij de totstandkoming van het KB 164, in de toelichtende stukken alsook bij de parlementaire behandeling (van het KB 164) is gesteld dat gezocht werd die overeenstemming te bereiken. 's Raads president heeft bij brief van 22 november 1994 vragen voorgelegd aan gedaagde, waarbij, zeer kort samengevat, is aangegeven dat de meest gerede interpretatie van de geciteerde verdragsbepaling deze lijkt te zijn, dat het genieten van de voorrechten en immuniteiten - waaronder blijkens artikel 33 van het verdrag mede te begrijpen de vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen - afhankelijk is van twee, cumulatieve, voorwaarden, te weten het niet zijn van onderdaan van de ontvangende staat en het niet duurzaam verblijf houden in die staat. Zo gelezen, zou het niet voldoen aan één van deze twee voorwaarden ingevolge artikel 37, lid 2, van het verdrag moeten leiden tot het niet verlenen van voorrechten en immuniteiten, hetgeen in het geval van eiseres zou betekenen dat haar duurzaam verblijf in Nederland toereikende grond vormt om haar de vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen te onthouden. Het maken van een uitzondering op de nationaalrechtelijke hoofdregel dat ingezetenschap tot verzekering ingevolge (onder meer) de AKW leidt, zou dan in de situatie van eiseres niet in de lijn van het verdrag liggen. In de reactie van gedaagde d.d. 10 februari 1995 is verwezen naar de in rubriek I reeds vermelde brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 23 december 1994, welke luidt als volgt: "In antwoord op uw bovenvermelde brief deel ik u het volgende mede. De fd. president van de Centrale Raad van Beroep suggereert aan het slot van zijn brief aan de SVB, van 22 november 1994 dat aan de bepalingen van KB 557 en van KB 164 die de verzekeringspositie van ambassadepersoneel e.d. ingevolge de volksverzekeringen regelen, een onjuiste interpretatie ten grondslag is gelegd van artikel 37, tweede lid van het Weense Verdrag inzake diplomatieke verkeer van 18 april 1961 (Trb. 1962, 159). Ik wijs u erop dat een zodanige suggestie uitgebreid aan de orde is geweest bij de ambtelijke voorbereiding van de herziening van KB
- Toen is ook de veronderstelling geuit dat al de personen die in Nederland wonen en die geen beroep kunnen doen op de bepalingen inzake voorrechten en immuniteiten, omdat zij daar niet onder vallen, tot de kring van verzekerden volksverzekeringen zouden moeten behoren. Deze veronderstelling is echter onjuist. Het staat de wetgever immers in het kader van de Weense verdragen vrij personen tot de kring van verzekerden toe te laten mits daarmee maar niet degenen verplicht zijn verzekerd te worden die een beroep op de Weense voorrechten en immuniteiten kunnen doen. Trouwens als de kring wel tot die personen zou worden uitgebreid, heeft dat geen effect ten aanzien van degenen die niet mee willen doen. Aan de andere kant is de wetgever niet verplicht degenen die geen beroep op voorrechten en immuniteiten kunnen doen, automatisch tot de kring van verzekerden toe te laten. Kort gesteld: de Weense verdragen verplichten tot vrijstelling maar niet tot verzekering. De nationale wetgever mag zelf de aansluitingsvoorwaarden voor verzekering vaststellen. Bij de totstandkoming van KB 557 en KB 164 heeft de wetgever in grote lijnen de Weense verdragen gevolgd bij de bepaling van de kring van verzekerden, c.q. de beperking. Er zijn echter enkele getalsmatig kleine groepen die geen beroep op de voorrechten en immuniteiten kunnen doen en evenmin tot de kring verzekerden volksverzekeringen behoren, ondanks dat zij in Nederland arbeid in dienstbetrekking verrichten en soms tevens hier wonen. Het gaat dan om personen die of hier niet wonen of geen Nederlander (of daarmee gelijkgesteld) zijn of beide. Voor de uitsluiting hebben verschillende redenen een rol gespeeld. De voornaamste reden is dat door de wetgever de band met Nederland verondersteld werd gering te zijn, althans geringer dan het land waar men vandaan komt en/of bij welke ambassade of consulaat men werkzaam is. Ook de opstelling van een groot aantal buitenlandse vertegenwoordigingen hier te lande om niet als werkgever aangemerkt te willen worden en evenmin bekend te maken welke personen bij de vertegenwoordiging werkzaam zijn, heeft hierbij een rol gespeeld. Tot slot wijs ik u er wellicht ten overvloede op dat de sociale verzekeringspositie van de hier besproken groep personen anders kan liggen op basis van de aanwijsregels inzake toepasselijke wetgeving van de coördinatieverdragen sociale zekerheid en van Verordening (EEG) nr. 1408/
- Ik vertrouw erop u hiermede ons standpunt te hebben uiteengezet.". De Raad constateert dat dit betoog niet geheel spoort met de reeds vermelde suggestie van overeenstemming tussen nationaalrechtelijke regeling en verdrag; gewezen kan worden op -onder meer- de toelichting bij het KB 164, waarin de conformiteit van artikel 11, lid 2, met artikel 37, leden 2 en 3, van het verdrag met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht. Anderzijds moet, in verband met het gestelde in de brief, worden vastgesteld dat de categorie personen waartoe eiseres behoort, reeds voor de inwerkingtreding van het verdrag voor Nederland en voor de totstandkoming van het bovenvermelde KB van 20 augustus 1984 van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen was uitgesloten en dat dit KB slechts een aanpassing aan het verdrag van de positie van "particuliere bedienden" bij buitenlandse zendingen beoogde te bewerkstelligen, daarbij de positie van "toegevoegde ambtenaren" ongewijzigd latend; dit laatste geldt eveneens voor de vervanging van het KB 557 door het KB
- De tekst van de opeenvolgende regelingen laat derhalve geen twijfel bestaan aan de constante bedoeling van de regelgever om de categorie personen waartoe eiseres behoort van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen uit te sluiten. Naar het oordeel van de Raad kan voorts, bij het aanhouden van de hierboven als meest gerede aangeduide interpretatie van artikel 37, lid 2, van het verdrag, niet staande worden gehouden dat het niet voldoen aan de voorwaarden om op grond van het verdrag aanspraak te maken op voorrechten en immuniteiten tot een rechtens afdwingbare aansluiting bij het Nederlandse stelsel van volksverzekeringen leidt. Derhalve is er geen grond om de hier toepasselijke KB-bepalingen uit hoofde van strijd met het verdrag buiten toepassing te laten. Op grond van het vorenstaande concludeert de Raad dat gedaagdes bestreden beslissingen in rechte stand kunnen houden, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Er zijn geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr H.J. Grendel en mr F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van mr S. Breuls als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 september 1995 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier. (get.) N.J. Haverkamp. (get.) S. Breuls. Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, tweede en derde lid, 2, 3 en 6 van die wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen twee maanden nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.