94/2906 AW O U I T S P R A A K in het geding tussen: de Minister van Binnenlandse Zaken, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit, verzonden op 17 september 1993, heeft appellant geweigerd het verzoek van gedaagde om vergoeding van de wettelijke rente over het hem toekomende wachtgeld in te willigen, alsmede toegezegd gedaagde schadeloos te stellen voor door hem aantoonbaar geleden schade. De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 22 september 1994, nr. AW 93/169, het door gedaagde tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van die uitspraak; voorts heeft zij onder meer het verzoek van gedaagde om toepassing van artikel 8:73, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om appellant te veroordelen tot vergoeding van renteschade over de periode van 1 december 1992 tot het tijdstip waarop de te vergoeden (wettelijke) rente tot uitbetaling zal zijn gekomen, toegewezen. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Namens gedaagde heeft mr D. Meindertsma, juridisch medewerkster van de Algemeen Christelijke Politiebond te Woerden, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 21 september 1995, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Meindertsma voornoemd. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad het volgende ter zake van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden. Gedaagde is bij besluit van 16 februari 1990, genomen namens de Minister van Justitie op grond van artikel 120, lid 1, sub f van het Ambtenarenreglement voor de Rijkspolitie 1975, met ingang van 1 februari 1990 eervol ontslag verleend als wachtmeester 1e klasse van het Korps Rijkspolitie. Appellant heeft bij besluit van 14 mei 1991 gedaagdes aanvraag tot toekenning van wachtgeld krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959 afgewezen. Dit besluit is door het voormalige Ambtenarengerecht te Zwolle bij uitspraak d.d. 10 december 1992 nietig verklaard. Bij besluit van 25 maart 1993 heeft appellant alsnog aan gedaagde per 1 februari 1990 (tot 14 januari 1996) een wachtgelduitkering toegekend. Bij brief van 7 april 1993 heeft gedaagde aan appellant verzocht om vergoeding van de wettelijke rente vanaf 1 februari
- Gedaagde heeft vanaf 28 juli 1993 de wachtgelduitkering ontvangen, waarbij op die datum tevens het op dat moment achterstallige bedrag aan wachtgeld is uitbetaald. Bij het bestreden besluit is op gedaagdes verzoek om vergoeding van wettelijke rente afwijzend beslist. Appellant heeft in hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd dat door gedaagde niet is gereageerd op zijn toezegging dat hij de schade, waarvan gedaagde kan aantonen dat hij die door het uitblijven van de betaling van zijn wachtgeld heeft geleden, zal vergoeden. In de tweede plaats heeft appellant het oordeel van de eerste rechter bestreden, die in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld dat de rechtsontwikkeling zodanig is voortgeschreden dat de van de burgerlijke rechter afwijkende jurisprudentie ten aanzien van de rentevergoeding bij nietig verklaarde besluiten in ambtenarenzaken niet langer kan worden gevolgd. Appellant acht onjuist het oordeel van de eerste rechter dat uit het feit dat gedaagde van appellant een nabetaling ontvangt (als gevolg van het nietig verklaren door het voormalige Ambtenarengerecht te Zwolle van appellants besluit van 16 september 1991) zonder meer voortvloeit dat gedaagde recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente over het na te betalen bedrag. Tenslotte heeft appellant aangevoerd dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de wettelijke rente dient te worden vergoed vanaf 2 december 1990 (de datum van de aanvraag om wachtgeld). Gedaagde daarentegen heeft in het namens hem ingediende verweerschrift het oordeel en de overwegingen van de eerste rechter onderschreven. De Raad overweegt het volgende. Het bestreden besluit moet worden aangemerkt als een zogenoemd zelfstandig schadebesluit. Onder verwijzing naar 's-Raads uitspraken van 16 juni 1994, nr. AW 1993/235 (gepubliceerd in TAR 1994, nr. 177), en 21 september 1995, nr. AWB 1994/519 AW (gepubliceerd in TAR 1995, nr. 243), merkt de Raad op dat voor de beoordeling van zelfstandige schadebesluiten van belang is of deze betrekking hebben op de vergoeding van schade die vóór, dan wel na 1 januari 1993 is, c.q. wordt geleden. In een geval, zoals het onderhavige, waarin zowel vóór als na genoemde datum schade wordt geleden, wordt de gehoudenheid van het bestuursorgaan tot vergoeding van schade deels volgens de oude normen beoordeeld, namelijk voor zover die schade geleden is in de periode vóór 1 januari 1993, en deels volgens de verruimde jurisprudentie, namelijk voor zover de schade na genoemde datum is geleden. Voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op schade die gedaagde stelt te hebben geleden in de periode vóór 1 januari 1993 dient derhalve te worden getoetst aan de ingevolge de vaste jurisprudentie van de Raad voor de desbetreffende periode geldende norm, inhoudende dat voor het ontstaan van een op het bestuursorgaan rustende vergoedingsplicht jegens de ambtenaar is vereist dat sprake is van een aan dat orgaan toe te rekenen optreden waardoor de ambtenaar schade heeft geleden en dat dit optreden en die schade van zodanige aard zijn, dat de schade in redelijkheid voor vergoeding door dat orgaan in aanmerking dient te komen. Hetgeen daaromtrent namens gedaagde is aangevoerd, heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen brengen dat in de voorliggende zaak aan die norm is voldaan. Voor zover de afwijzing door appellant van gedaagdes verzoek om vergoeding van wettelijke rente betrekking heeft op de periode vóór 1 januari 1993 kan het bestreden besluit in rechte stand houden. Voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op schade die gedaagde stelt te hebben geleden in de periode na 1 januari 1993 is de Raad op grond van zijn verruimde jurisprudentie van oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden. Door onrechtmatig handelen van appellant is aan gedaagde de tijdige uitbetaling van de door hem aangevraagde wachtgelduitkering onthouden. Dit brengt in beginsel voor gedaagde de verplichting mee de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. Voorzover deze schade in gederfde rente bestaat, die voortvloeit uit het niet-tijdig voldoen van een geldsom dient naar 's Raads oordeel aansluiting te worden gezocht bij de in het burgerlijk recht gegeven regeling van de wettelijke rente. In het voorliggende geval komt, naar analogie van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, de wettelijke rente over de niet-tijdige uitbetaling van het wachtgeld vanaf 1 januari 1993 als volgt voor vergoeding in aanmerking. Over het ten onrechte over de betalingstijdvakken van januari 1993 tot en met juni 1993 niet-uitbetaalde wachtgeld dient de wettelijke rente te worden berekend steeds vanaf de dag waarop dat wachtgeld in het desbetreffende betalingstijdvak zou zijn uitbetaald tot de dag waarop de nabetaling heeft plaatsgehad, te weten 28 juli
- Dit impliceert, ruwweg gezegd, dat de wettelijke rente terzake van het niet-uitbetalen van het wachtgeld over het betalingstijdvak januari 1993 dient te worden berekend over zes maanden, de wettelijke rente terzake van het niet-uitbetalen van het wachtgeld over het betalingstijdvak februari 1993 over vijf maanden, en zo verder. Daarbij geldt dat de berekening van de wettelijke rente dient te geschieden over de bruto-bedragen van de nabetalingen en voorts dat telkens na afloop van een vol jaar het maandbedrag waarover de wettelijke rente is verschuldigd wordt vermeerderd met het bedrag van de over dat voorafgaande jaar verschuldigde rente (rente op rente). Gelet op bovenstaande overwegingen komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten van gedaagde, welke zijn begroot op f 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op f 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voorts dient appellant aan gedaagde het door hem in eerste aanleg betaalde griffierecht ad f 7,50 te vergoeden. Van andere kosten is de Raad niet gebleken. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidende beroep, voor zover betrekking hebbende op de betalingstijdvakken die zijn gelegen vóór 1 januari 1993, alsnog ongegrond; Verklaart het inleidende beroep, voor zover betrekking hebbende op de betalingstijdvakken die zijn gelegen na 1 januari 1993, gegrond; Vernietigt het bestreden besluit in zoverre; Bepaalt dat aan gedaagde de wettelijke rente toekomt zoals in rubriek II van deze uitspraak is aangegeven, te betalen door de Staat der Nederlanden; Bepaalt dat appellant te dien aanzien een nieuw besluit dient te nemen; Veroordeelt app1ellant in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van gedaagde gevallen, ten bedrage van f 2847,50, te betalen door de Staat der Nederlanden. Aldus gegeven door mr J. Boesjes als voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 1995 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier. (get.) J. Boesjes. (get.) P.H. Schippers. TM 2710