94/1899 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., appellant, en het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te 's-Gravenhage onder dagtekening 13 juli 1994 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben nadere informatie verstrekt en nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 maart 1996, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde na schriftelijke kennisgeving niet is verschenen. II. MOTIVERING Appellant ging op 11 mei 1987 na een langdurige periode van werkloosheid werken als verhuizer/bijrijder. Hij staakte dit werk op 14 augustus 1987 wegens ziekte. Gedaagde heeft hem in verband daarmee tot en met 20 november 1987 ziekengeld toegekend. Appellants beroep tegen zijn hersteldverklaring per 21 november 1987 is door de Voorzitter van de toenmalige Raad van Beroep te 's-Gravenhage gegrond verklaard. Gedaagde heeft bij beslissing van 26 juli 1989 aan appellant met ingang van 27 juli 1988 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tevens heeft gedaagde bij die beslissing de uitkeringen van gedaagde met ingang van 1 juli 1989 ingetrokken onder overweging dat appellants arbeidsongeschiktheid per die datum was afgenomen naar minder dan 15%. De toenmalige Raad van Beroep te 's-Gravenhage heeft appellants beroep tegen die beslissing gegrond verklaard en die beslissing bij uitspraak van 22 oktober 1991 vernietigd. Gedaagde heeft in die uitspraak berust en de aanspraken van appellant opnieuw beoordeeld. Deze beoordeling is uitgemond in de bestreden beslissing van 13 mei
- Gedaagde heeft daarbij geweigerd aan appellant uitkering ingevolge de AAW toe te kennen op de grond dat hij vanaf 1 januari 1986 arbeidsongeschikt is en dat hij in het refertejaar 1985 geen inkomen heeft genoten. Gedaagde heeft daarbij voorts beslist dat aan appellant ingaande 27 juli 1988 een uitkering ingevolge de WAO wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft daarbij tenslotte beslist dat laatstgenoemde uitkering met ingang van 1 juli 1989 wordt ingetrokken op de grond dat appellant bij de aanvang van zijn verzekering ingevolge de WAO, derhalve op 11 mei 1987, reeds volledig arbeidsongeschikt was. De rechtbank te 's-Gravenhage heeft de bestreden beslissing van 13 mei 1992 bij de aangevallen uitspraak vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak overwogen is. Gedaagde heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld, maar dit beroep nadien ingetrokken. De Raad zal eerst onderzoeken of appellant in zijn beroep tegen de aangevallen uitspraak kan worden ontvangen. De Raad stelt vast dat appellant uitsluitend beroep heeft ingesteld tegen een niet dragende overweging van die uitspraak. De rechtbank merkt daarin ter voorlichting van appellant op dat uit de overwegingen van de rechtbank die leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing niet zonder meer voortvloeit dat appellant al dan niet aanspraak heeft op een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering. Nu de rechtbank met deze overweging geen bindende uitspraak heeft gedaan over appellants aanspraken ingevolge de AAW en de WAO is de Raad van oordeel dat appellant geen in rechte te honoreren belang heeft bij zijn hoger beroep. De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant om deze reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Gedaagde heeft bij besluit van 13 december 1995 een nieuwe beslissing genomen over appellants aanspraken. Gedaagde heeft daarbij aan appellant met ingang van 27 juli 1989 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en deze uitkeringen met ingang van 1 juli 1989 ingetrokken omdat appellant op die datum minder dan 25%, respectievelijk 15% arbeidsongeschikt was. Daar het hier gelet op de gedingstukken een kennelijke misslag betreft zal de Raad de ingangsdatum van dit toekenningsbesluit lezen als 27 juli
- De Raad is van oordeel dat het besluit van 13 december 1995 moet worden aangemerkt als een besluit strekkende tot intrekking of wijziging van een besluit, in casu de bestreden beslissing, waartegen ten tijde van het nemen van dat besluit een beroep aanhangig was in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat appellants hoger beroep, zoals hierboven is overwogen, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard doet daaraan niet af, omdat dit beroep ten tijde van het nemen van dat besluit nog niet niet-ontvankelijk was verklaard. De Raad is voorts van oordeel dat het beroep in verband met het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, Awb geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 13 december 1995 voor zover dat besluit strekt tot intrekking van appellants uitkeringen met ingang van 1 juli
- Voor zover dat besluit de toekenning van uitkeringen behelst, komt het geheel aan het beroep tegemoet; derhalve wordt het beroep niet geacht mede te zijn gericht tegen deze toekenning. De Raad zal thans treden in een beoordeling van dat beroep. Dit betekent dat de vraag dient te worden beantwoord of het besluit van 13 december 1995 in rechte stand kan houden voor zover appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO daarbij met ingang van 1 juli 1989 zijn ingetrokken. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Gedaagde heeft op 26 juli 1989 een beslissing genomen die in essentie gelijk is aan het thans bestreden besluit. Bij die beslissing werden aan appellant met ingang van 27 juli 1988 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en werden die uitkeringen met ingang van 1 juli 1989 ingetrokken op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant wegens geschiktheid voor passende functies was afgenomen naar minder dan 15%. Deze beslissing is door de toenmalige Raad van Beroep te 's-Gravenhage bij uitspraak van 22 oktober 1991 vernietigd aan welke vernietiging ten grondslag is gelegd dat appellant blijkens rapportage van de zenuwarts J.G.M. Barnhoorn op de datum in geding volledig arbeidsongeschikt was. De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat gedaagde in deze uitspraak uitdrukkelijk heeft berust en dat die uitspraak in rechte onaantastbaar is geworden. Dit betekent dat het gedaagde niet meer vrij stond ter zake van appellants aanspraken ingevolge de AAW en de WAO op de datum in geding een van die uitspraak afwijkend besluit te nemen. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep voor zover het geacht wordt mede te zijn gericht tegen het intrekkingsbesluit van 13 december 1995 gegrond is en dat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op ƒ 31,55 aan reiskosten. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; Verklaart het beroep voor zover het mede geacht wordt gericht te zijn tegen het besluit tot intrekking van appellants uitkeringen van 13 december 1995 gegrond en vernietigt dit besluit; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot ƒ 31,55, te betalen door gedaagdes bedrijfsvereniging. Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en mr M.M. van der Kade en mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van M.M.F. Holtrop als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 april
- (get.) K.J.S. Spaas. (get.) M.M.F. Holtrop. BvW 3/4