← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB5991

95/3414 + 3416 + 9397 AW O U I T S P R A A K in de gedingen tussen: de Minister van Binnenlandse Zaken, appellant tevens gedaagde, verder te noemen: appellant, en G.H.H. Noestheden, wonende te Losdorp, gedaagde tevens appellant, verder te noemen: gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Bij besluit van 29 november 1993 heeft appellant aan gedaagde meegedeeld dat de aan hem door de kantonrechter toegekende vergoeding van f 150.000,-- terzake van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met de stichting Delfzicht Ziekenhuis te Delfzijl, zal worden verrekend met het hem over de periode van 1 juni 1989 tot 8 juni 2004 toegekende wachtgeld. Gedaagdes tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 7 april 1994 ongegrond verklaard. De Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft het namens gedaagde door mr E.C.M. Roelvink, advocaat te Winschoten, tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 29 maart 1995, nr. AWB 94/746 AW VO1, gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Partijen hebben tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Namens appellant is een verweerschrift ingediend. Het tevens door appellant gedane verzoek om een voorlopige voorziening is door de President van de Raad bij uitspraak van 23 juni 1995, nr. VV 1995/62 - AW 1995/169, afgewezen. De gedingen zijn behandeld ter zitting van 29 februari

  1. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr A.H. Langguth, werkzaam bij de stichting USZO, als zijn gemachtigde. Voor gedaagde is verschenen zijn gemachtigde mr Roelvink voornoemd. II. MOTIVERING Gedaagde was werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis Utrecht. Naar aanleiding van zijn ontslag wegens overtolligheid werd hem een wachtgeld toegekend voor de periode van 1 juni 1989 tot 8 juni
  2. Van 1 juni 1989 tot 1 april 1993 was gedaagde op arbeidsovereenkomst werkzaam bij de stichting Delfzicht Ziekenhuis te Delfzijl. Met ingang van 1 april 1993 werd deze arbeidsovereenkomst door de kantonrechter ontbonden op grond van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding. In zijn beschikking van 31 maart 1993 heeft de kantonrechter onder meer overwogen: "
  3. Op grond van de hiervoor in rechte vastgestelde gewijzigde omstandigheden dient de arbeidsovereenkomst tussen partijen naar mijn oordeel met ingang van 1 april 1993 te worden ontbonden, echter onder toekenning aan de werknemer ten laste van de werkgeefster van een vergoeding naar billijkheid bestaande uit een bedrag groot f 150.000,-- bruto als vergoeding terzake van toekomstige inkomstenderving alsmede van te maken onkosten zoals pensioenopbouw, kosten van outplacement en dergelijke en uit een bedrag groot f 5000,-- als tegemoetkoming terzake van kosten rechtsbijstand van de werknemer.". Appellant heeft blijkens het primaire besluit van 29 november 1993 en het besluit van 7 april 1994 het bedrag van f 150.000,-- met toepassing van artikel 8, lid 1, van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb) in aanmerking gebracht voor verrekening met het wachtgeld in die zin dat dit bedrag gelijkmatig verdeeld zal worden over de periode, vanaf 1 april 1993, waarover gedaagde wachtgeld zal ontvangen. Dit houdt in dat gedurende een periode van 175 maanden het wachtgeld met een bedrag van ongeveer f 857,-- per maand zal worden verminderd. De rechtbank heeft overwogen dat, voor zover de toegekende vergoeding bedoeld is terzake van (toekomstige) inkomstenderving, terecht vermindering met toepassing van artikel 8, lid 1, Rwb is toegepast nu zodanige inkomsten moeten worden aangemerkt als inkomsten in verband met arbeid als vermeld in dat artikel. Het bestreden besluit is echter vernietigd omdat appellant ten onrechte het gehele bedrag voor verrekening in aanmerking heeft doen komen zonder rekening te houden met onder meer de terzake van outplacement gestelde kosten ad f 25.000,-- en eventuele kosten voor herstel van pensioenschade. Voorts heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de door appellant overgelegde interne instructie inzake toepassing van artikel 8 Rwb - gesteld dat appellant had dienen te bezien of in redelijkheid kon worden overgegaan tot verrekening en daarbij tevens had dienen te beoordelen of er sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8, lid 6, Rwb. Appellant heeft naar aanleiding van die uitspraak (en naar aanleiding van 's Raads uitspraak van 8 juni 1995, nr. AW 1994/676) bij gedaagde geïnformeerd of en zo ja, welk bedrag van de toegekende f 150.000,-- is aangewend voor het treffen van voorzieningen terzake van de pensioenschade. Uit de daarna gevoerde correspondentie, waarbij alsnog ook andere kosten zoals immateriële schade, ziektekosten, etc. door gedaagde zijn gesteld, is gebleken dat het gehele bedrag (met uitzondering van f 25.000,--, gereserveerd voor kosten van outplacement) is gebruikt ter verbetering van gedaagdes huis; van de zijde van gedaagde is bepleit dat dit ook als een soort pensioenvoorziening is te duiden. Appellant heeft vervolgens een nader besluit, gedateerd 13 november 1995, genomen. Hierin is het te verrekenen bedrag verminderd tot f 125.000,--, zulks in verband met het hiervoor genoemde bedrag van f 25.000,-- voor kosten van outplacement. Van een voorziening ter opvang van pensioenschade is naar de mening van appellant geen sprake. Voorts heeft appellant in dit besluit overwogen dat van een omstandigheid die aanleiding zou vormen tot het toepassen van het zesde lid van artikel 8 Rwb, niet is gebleken. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:19 juncto 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het hoger beroep van gedaagde mede geacht te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 13 november 1995, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. Gedaagde heeft verklaard dat hij het niet met het besluit van 13 november 1995 eens is, omdat a. in het geheel niet verrekend dient te worden; b. indien verrekend wordt ten onrechte diverse onkosten niet buiten beschouwing zijn gelaten; c. een inhoudelijke afweging in het kader van artikel 8, lid 6, Rwb niet heeft plaatsgevonden. De Raad overweegt terzake het volgende. Alvorens het geschil ten materiële te bezien merkt de Raad op voorbij te gaan aan de namens gedaagde geuite twijfel aan de bevoegdheid van appellant terzake van de in geding zijnde besluiten. De Raad overweegt daartoe dat - zoals hij al vaker te kennen heeft gegeven - een stuk dat zich naar inhoud en ondertekening aandient als een besluit van het daartoe bevoegde bestuursorgaan, behoudens tegenbewijs, in het algemeen tot bewijs strekt dat zulk een besluit ook daadwerkelijk door dat orgaan is genomen. Nu appellant heeft doen weten zijn in het besluit van 7 april 1994 neergelegde standpunt voor wat betreft de vaststelling van de omvang van het voor verrekening op grond van artikel 8, lid 1, Rwb in aanmerking komende bedrag rechtens niet meer onverkort te handhaven, maar te hebben gewijzigd zoals in zijn nadere besluit van 13 november 1995 aangegeven, ziet de Raad reeds daarin voldoende grond voor het oordeel dat het besluit van 7 april 1994 wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering niet in stand kan blijven. De aangevallen uitspraak komt dan ook - zij het op andere dan de door de rechtbank gebezigde overwegingen - op die grond voor bevestiging in aanmerking. De Raad merkt daarbij op (onder verwijzing naar het hierna overwogene) dat niet worden onderschreven de overwegingen in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de ambtshalve toepassing door appellant van artikel 8, lid 6, Rwb en met betrekking tot een aan appellant toekomende bevoegdheid tot verrekening op grond van de overgelegde interne instructie inzake toepassing van artikel 8 Rwb. Het partijen verdeeld houdende materiële punt van geschil zoals vervat in het besluit van 13 november 1995 betreft de beantwoording van de vraag of (en zo ja, in welke omvang) de vergoeding, die de kantonrechter terzake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in het kader van artikel 1639w Burgerlijk Wetboek (BW) heeft toegekend, voor verrekening met het wachtgeld in aanmerking dient te komen. Artikel 8, lid 1, Rwb bepaalt dat inkomsten die de betrokkene geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag, terzake waarvan het wachtgeld is toegekend, hem is aangezegd of door hem is aangevraagd, met het wachtgeld worden verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Dit houdt in dat het wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee het wachtgeld, vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging overschrijdt. Gedaagde heeft uit zijn dienstbetrekking bij de stichting Delfzicht Ziekenhuis inkomsten genoten. Terzake van de beëindiging van die arbeidsovereenkomst is hem door de kantonrechter een vergoeding ex artikel 1639w BW toegekend. De Raad is van oordeel dat een vergoeding als bedoeld in artikel 1639w, lid 8, BW in beginsel dient te worden aangemerkt als inkomen uit of in verband met arbeid als bedoeld in artikel 8, lid 1, Rwb. Dit beginsel lijdt echter uitzondering ingeval de vergoeding geheel of gedeeltelijk moet worden geacht een zodanige bestemming te hebben dat daaraan het karakter van 'inkomsten in verband met arbeid' komt te vervallen. Indien voldoende duidelijk blijkt dat de vergoeding geheel of gedeeltelijk is bestemd ter dekking van of tegemoetkoming in bepaalde onkosten, of voor vergoeding van immateriële schade, komt die vergoeding geheel of gedeeltelijk een ander karakter toe dan dekking van of tegemoetkoming in inkomensschade, welke de werknemer als gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de daarna intredende periode van werkloosheid zal gaan lijden. Ter beantwoording van de vraag of de vergoeding geheel of gedeeltelijk zodanige bestemming toekomt, dient naar het oordeel van de Raad in de eerste plaats te worden bezien of en zo ja, welke bestemming door de kantonrechter aan de vergoeding wordt gegeven. Voor zover uit de beschikking van de kantonrechter die bestemming niet duidelijk blijkt, kunnen mogelijk andere - onderliggende - stukken (de correspondentie tussen werkgever en werknemer, het verzoek- en verweerschrift in de ontbindingsprocedure) daaromtrent aanvullende informatie verschaffen. Voorop staat evenwel steeds dat het moet gaan om een genoegzaam gebleken en geloofwaardige andere (reële) bestemming. In het onderhavige geval is door de kantonrechter f 5000,-- apart als vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toegekend, terwijl gelet op de brief van gedaagdes toenmalige raadsman van 19 februari 1993 in de vergoeding van f 150.000,-- een bedrag van f 25.000,-- voor kosten van outplacement is bedoeld; het resterende bedrag - zo blijkt uit die brief - komt overeen met een bruto jaarsalaris (inclusief werkgeverslasten). Namens gedaagde is ter zitting aangevoerd dat in de toegekende vergoeding ook een bedrag ter vergoeding van immateriële schade is begrepen. Daartoe is gewezen op de gehele situatie omtrent de verstoorde arbeidsverhouding en de voor gedaagde onverwachte - en gelet op zijn carrière nadelige - beëindiging van het dienstverband. Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene is de Raad van oordeel dat van zodanige bestemming niet blijkt uit de beschikking van de kantonrechter terwijl evenmin is gebleken dat zodanige vergoeding expliciet is gevorderd tijdens die procedure; daartoe kan met name worden verwezen naar eerdergenoemde brief van 19 februari 1993, waar vergoeding van immateriële schade niet in de opsomming van de diverse onderdelen van gedaagdes vordering wordt genoemd. Het zelfde geldt ten aanzien van de door gedaagde gestelde bestemming van de vergoeding voor de periode na beëindiging van de WW-uitkering. Waar gedaagdes toenmalige raadsman voorts in zijn brief van 19 februari 1993 expliciet te kennen heeft gegeven de eerdere claims terzake van zes maanden opzegtermijn en pensioenschade te laten vallen en uit de beschikking van de kantonrechter niet onmiskenbaar blijkt welk bedrag aan pensioenschade in het toegekende bedrag van f 150.000,-- zou zijn begrepen, ziet de Raad niet dat van de aan gedaagde toegekende vergoeding een bedrag terzake van tegemoetkoming in pensioenschade buiten aanmerking had moeten worden gelaten. Met betrekking tot de wijze van verrekening van het daarvoor in aanmerking komende bedrag van de aan gedaagde toegekende vergoeding, overweegt de Raad dat hij, nu uit meergegenoemde beschikking van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag liggende stukken niet onmiskenbaar blijkt aan welke periode bedoeld bedrag zou moeten worden toegerekend, geen grond ziet voor het oordeel dat appellants besluit om deze verrekening gelijkelijk over de resterende looptijd van het wachtgeld te doen plaatsvinden, geen stand kan houden. Namens gedaagde is voorts gesteld (en door de rechtbank in de aangevallen uitspraak onderschreven) dat appellant - gelet op de overgelegde interne instructie inzake toepassing van artikel 8 Rwb, waarin sprake is van betalingen die 'kunnen' worden verrekend - in het kader van die bevoegdheid had moeten bezien of in redelijkheid kon worden overgegaan tot verrekening. De Raad onderschrijft de interpretatie van gedaagde en van de rechtbank van die interne instructie niet. Hij volstaat daarbij met te wijzen op de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 8, lid 1, Rwb en op de toelichting in het verweerschrift van appellant, inhoudende dat met de - in de interne instructie gebruikte - passage "Betalingen m.b.t. categorie 1 kunnen niet worden verrekend" en "Betalingen m.b.t. categorie 2 kunnen niet worden verrekend" slechts is bedoeld een tegenstelling aan te geven. Met betrekking tot artikel 8, lid 6, Rwb, ingevolge welk artikellid appellant bevoegd is om in bijzondere gevallen ten gunste van betrokkene af te wijken van het daarvoor bepaalde, overweegt de Raad dat hem, nu van de zijde van gedaagde niet nader is aangegeven op welke gronden zijn geval zou kunnen en moeten worden beschouwd als een bijzonder geval, niet is gebleken van een bijzonder geval als hier bedoeld. Naar zijn oordeel kan reeds om die reden niet worden gezegd dat appellants besluit van 13 november 1995 in het onderhavige geval geen toepassing te geven aan de hem in voornoemd lid 6 gegeven bevoegdheid een besluit is waartoe appellant in redelijkheid niet heeft kunnen komen. De Raad merkt in dit verband nog op dat hij - anders dan de rechtbank en gedaagde - niet vermag in te zien dat appellant gehouden zou zijn ambtshalve de toepasselijkheid van artikel 8, lid 6, Rwb te overwegen in die gevallen waarin, zoals in het onderhavige, daarom niet is verzocht en daarvoor in de beschikbare gegevens evenmin aanknopingspunten zijn te vinden. De Raad overweegt tenslotte dat - gelet op al het vorenoverwogene - het beroep van gedaagde, voor zover gericht tegen appellants nadere besluit van 13 november 1995, ongegrond moet worden verklaard. In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 Awb appellant te veroordelen tot vergoeding van de helft van de aan de zijde van gedaagde in hoger beroep gemaakte kosten wegens aan gedaagde verleende rechtsbijstand, in totaal f 710,--. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden; Verklaart het beroep van gedaagde voor zover geacht te zijn gericht tegen het besluit van 13 november 1995 ongegrond; Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot f 710,--, te betalen door de Staat der Nederlanden; Bepaalt dat van appellant een griffierecht van f 600,-- wordt geheven. Aldus gegeven door mr Ch. de Vrey als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek en mr H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 april
  4. (get.) Ch. de Vrey. (get.) P.H. Schippers. TM 154

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.