95/2907 WW Q. U I T S P R A A K in het geding tussen: het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen, appellant, en [gedaagde], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op bij beroepschrift van 30 juni 1995 aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle onder dagtekening 18 mei 1995 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij schrijven van 12 september 1995 heeft J.H. van Blitterswijk, sociaal raadsvrouw te Lelystad, namens gedaagde een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 maart 1996, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J.A.M. der Weduwen, werkzaam bij Uitvoeringsinstelling BVG/DETAM B.V.. Gedaagde is bij die gelegenheid in persoon verschenen, bijgestaan door J.H. van Blitterswijk, voornoemd. II. MOTIVERING Ingevolge artikel 6, aanhef en onder c, van de Werkloosheidswet (hierna: WW) wordt niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die ten behoeve van de natuurlijke persoon, tot wie hij in dienstbetrekking staat, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten in diens huishouding verricht en die diensten doorgaans op minder dan drie dagen per week verricht. Ingevolge artikel 42, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt een werknemer die aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste drie kalenderjaren over 52 of meer dagen per jaar loon te hebben genoten, in aanmerking voor verlenging van de uitkeringsduur (hierna: verlengde uitkering). Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de WW heeft de werknemer die het einde van de uitkeringsduur van de verlengde uitkering heeft bereikt, recht op vervolguitkering. Ingevolge artikel 53, tweede lid, van de WW laat de bedrijfsvereniging, op zijn verzoek, tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering toe de persoon, jonger dan 65 jaar, wiens arbeidsverhouding op grond van artikel 6, aanhef en onder c, niet als dienstbetrekking wordt beschouwd. Ingevolge artikel 54, vierde lid, aanhef en onder d, van de WW vangt de vrijwillige werkloosheidsverzekering voor de in artikel 53, tweede lid, van de WW bedoelde persoon aan op de dag van ontvangst van zijn verzoek om toelating. Gedaagde is, na een jarenlang arbeidsverleden als verpleegkundige in loondienst, in de periode van juni 1987 tot en met oktober 1991 part-time werkzaam geweest als verzorgster/verpleegster van de bejaarde heer [G.]. Zij verrichtte werkzaamheden zoals wassen en aankleden, nagels knippen, haren kammen, verband verschonen en pleisters aanbrengen. Na beëindiging van deze werkzaamheden is gedaagde vanaf 16 december 1991 werkzaam geweest als verpleegkundig uitzend- en oproepkracht. Wegens vermindering van werkzaamheden is gedaagde door met ingang van 24 augustus 1992 in aanmerking gebracht voor WW-uitkering. Bij dit besluit heeft appellant tevens overwogen dat gedaagde niet in aanmerking komt voor een verlengde uitkering en vervolguitkering omdat zij niet voldoet aan het vereiste dat zij in de vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan 24 augustus 1992 in ten minste 3 kalenderjaren loon uit dienstbetrekking moest hebben ontvangen over 52 of meer dagen per jaar. Daarbij heeft appellant overwogen dat de arbeidsverhouding van gedaagde met de heer [G.] ingevolge artikel 6, aanhef en onder c, van de WW, niet als dienstbetrekking kan worden beschouwd, aangezien gedaagde doorgaans op minder dan drie dagen per week werkzaam was. Namens gedaagde is tegen dit besluit aangevoerd dat de verzorgende en verplegende werkzaamheden die zij heeft verricht, niet vallen onder het begrip 'huiselijke en persoonlijke diensten in een huishouding' en voorts dat artikel 6, aanhef en onder c, van de WW een voor vrouwen (indirect) discriminerende bepaling is waarvoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 6, aanhef en onder c, van de WW betrekking heeft op werkzaamheden van huishoudelijke aard, zoals schoonmaken, wassen, strijken, boodschappen doen en dergelijke. Naar het oordeel van de rechtbank slaan de woorden 'in diens huishouding' op de aard van de werkzaamheden en niet op de plaats waar de werkzaamheden worden verricht. De Raad overweegt het volgende. Ingevolge artikel 6, aanhef en onder c, van de WW is niet verzekerd ingevolge die wet degene die, op doorgaans minder dan drie dagen per week, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huishoudelijke of persoonlijke diensten verricht in de huishouding van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat. In de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziektewet en in de Wet op de loonbelasting 1964 zijn overeenkomstige uitzonderingen gemaakt. De Raad is op grond van de parlementaire geschiedenis van deze uitzondering, die bij de behandeling van de wijziging van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (Kamerstukken II, 19 810 hierna: BBA) nog eind jaren tachtig bevestigd is, van oordeel dat uitgangspunt van de wetgever is geweest dat niet de aard van de werkzaamheden, namelijk huishoudelijk werk, doch de hoedanigheid van de werkgever/-geefster en de context waarin de werkzaamheden verricht werden, bepalend waren voor de uitzondering die is gecreëerd op de verplichte verzekering ingevolge de werknemersverzekeringen. Beoogd is deze uitzondering van toepassing te doen zijn op al het personeel dat op doorgaans minder dan drie dagen per week door natuurlijke personen buiten bedrijfs- of beroepsuitoefening en in en rondom de huishouding, voor huishoudelijke of persoonlijke diensten te werk is gesteld en daarmee voor die groep de administratieve lasten verbonden met belasting- en premie-inhouding en -afdracht te voorkomen. Daarbij kan gedacht worden aan de gouvernante, de huishoudster, de tuinman, de butler en de chauffeur uit vroeger tijden en tegenwoordig aan de hulp in de huishouding, de oppas en degene die persoonlijke verzorging en verpleging verleent. Gedaagde valt daarom onder de uitzondering waarvan de toepassing hier ter discussie staat. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de nationaalrechtelijke bepaling van artikel 6, aanhef en onder c, van de WW moet worden beschouwd als (indirect) discriminerend in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn 79/7/EEG van 19 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.