AAW/WAO 1993/2583
- U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij brief van 4 mei 1993 is eiser vanwege gedaagde in kennis gesteld van de beslissing om vanaf 1 januari 1991 tot en met 31 december 1991 de aan hem toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) niet uit te betalen en de aan hem toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verminderen met f 75,55 per uitkeringsdag in verband met inkomsten uit arbeid. De arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 8 december 1993 het door eiser tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard. Eiser is van deze uitspraak op bij beroepschrift van 15 december 1993 (met bijlagen) aangegeven gronden in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft op 15 juli 1994 van contra-memorie gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 november 1995, waar eiser niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr P.A.L. Nieuwenhuis, destijds werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Bij bevel van de Raad van 3 januari 1996 is bepaald dat het onderzoek op een nader door de voorzitter vast te stellen zitting zal worden hervat. Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 april 1996, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Awb. Gedaagde heeft bij beslissing van 26 april 1978 eiser ingaande 25 januari 1978 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 1 maart 1988 is eiser gestart met een las- en reparatiebedrijf. In 1991 heeft eisers bedrijf blijkens de door de accountant van eiser opgemaakte winst- en verliesrekening een resultaat voor belastingen gerealiseerd van f 27.580,-. In deze winst heeft gedaagde aanleiding gezien over 1991 met betrekking tot de aan eiser toegekende uitkeringen toepassing te geven aan artikel 34 (oud) van de AAW en artikel 45 (oud) van de WAO op een wijze als neergelegd in de bestreden beslissing. Daarbij is gedaagde er van uitgegaan dat uit de behaalde winst van f 27.580,- na aftrek van het verschuldigde bedrag aan premies ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de AAW voortvloeit dat eiser in 1991 een inkomen heeft genoten van gemiddeld f 93,62 per dag. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of gedaagde op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 34 (oud) van de AAW en artikel 45 (oud) van de WAO. Bij de beantwoording van deze vraag stelt de Raad voorop dat in zijn jurisprudentie tot uitdrukking is gebracht dat voor het begrip "inkomsten uit arbeid" in een geval van zelfstandige bedrijfsuitoefening in beginsel dient te worden uitgegaan van de netto-winst zoals deze door de fiscus is aanvaard. Blijkens een door gedaagde in eerste aanleg overgelegde brief van de belastingdienst, gedateerd 6 september 1993 en gericht aan gedaagde, heeft deze dienst de door eiser behaalde winst uit onderneming over 1991 als volgt verwerkt in de aanslag inkomstenbelasting over dat jaar: winst volgens jaarstukken f 27.580,- correctie inzake Oort f 105,- + vermogensaftrek f 280,- - investeringsaftrek f 2.074,- - fiscale winst f 25.331,- De Raad is niet gebleken van feiten en omstandigheden die in het geval van eiser nopen tot het bij de berekening van eisers inkomsten uit arbeid in 1991 in aanmerking nemen van een ander bedrag dan de fiscale winst waartoe de belastingdienst is gekomen. In het licht hiervan moet worden geconstateerd dat gedaagde ten onrechte is uitgegaan van de winst volgens de jaarstukken. De Raad onderkent dat ten tijde van het vanwege gedaagde ingestelde onderzoek naar eisers inkomsten uit arbeid een standpuntbepaling van de belastingdienst omtrent de door eiser behaalde fiscale winst over 1991 gedaagde nog niet bekend was en mogelijk ook nog niet bekend kon zijn. Een situatie als deze behoeft - mede gelet op het belang van betrokkene, dat hierin is gelegen dat hij niet pas na jaren wordt geconfronteerd met een beslissing tot korting van zijn uitkering(en) al dan niet tevens met een beslissing tot terugvordering - geenszins met zich te brengen dat een uitvoeringsorgaan eerst tot toepassing van kortingsartikelen kan overgaan nadat de belastingdienst zich een oordeel heeft gevormd omtrent de fiscale winst. De Raad acht het alleszins aanvaardbaar, zo niet aangewezen dat een beoordeling van de evenredigheid van de inkomsten van een zelfstandige in relatie tot de bij die zelfstandige nog bestaande arbeidsgeschiktheid, wordt gebaseerd op de uit de jaarstukken blijkende winst en de wijze waarop deze winst is verwerkt in de belastingaangifte van betrokkene. Voor zover achteraf blijkt dat de belastingdienst tot een andere berekening van de fiscale winst is gekomen, staat het het uitvoeringsorgaan vrij ambtshalve tot een nieuwe beoordeling te komen. Indien daarom wordt verzocht, is een uitvoeringsorgaan daartoe gehouden. In het geval van eiser stelt de Raad vast dat gedaagde verzuimd heeft gegevens op te vragen omtrent de wijze waarop de blijkens de jaarstukken gerealiseerde winst is verwerkt in eisers belastingaangifte over
- Gedaagde heeft uitsluitend verzocht om de verlies- en winstrekening en heeft aldus uit het oog verloren dat, nu beslissend is de fiscale winst, tevens betekenis toekomt aan de belastingaangifte van eiser. Het hiervoor overwogene brengt met zich dat de in dit geding te beantwoorden vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing en de aangevallen uitspraak, waarbij deze beslissing in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 80a, vijfde lid (oud) van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat het door eiser zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig artikel 8:75 van de Awb toe te passen, aangezien op grond van dat artikel te vergoeden proceskosten niet zijn gevorderd en daarvan ook niet is gebleken. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede de bestreden beslissing; Verstaat dat gedaagde aan eiser het gestorte recht van ƒ 75,- vergoedt. Aldus gegeven door mr C.G.L. Plomp als voorzitter en mr A. Beuker-Tilstra en mr G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 mei
- (get.) C.G.L. Plomp. (get.) B.C. Rog. AB
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.