← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6198

95/8678 ABW U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., appellante, en de Commissie Sociale Zekerheidsgeschillen van de provincie Noord-Holland, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr C.A.R.J. Jacobs, advocaat en procureur te Amsterdam, op de bij beroepschrift aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen een besluit van gedaagde van 24 augustus

  1. Bij dat besluit is het beroep ongegrond verklaard dat was ingesteld tegen een op bezwaarschrift genomen beslissing van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) van 29 oktober
  2. Gedaagde heeft meegedeeld dat het gestelde in het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van nadere opmerkingen. Het geding is behandeld ter zitting van 14 mei 1996 waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Jacobs, voornoemd. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr Y.C.C. Sinnige, werkzaam bij de provincie Noord-Holland, en voor het College, als partij aan het geding deelnemend, is verschenen mr W.A. Hakstege, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang. Blijkens een notariële akte, opgemaakt op 17 september 1990, is aan appellante, geboren in 1966, op die datum voor een bedrag van f 10.500,-- verkocht de blote eigendom van het appartementsrecht, recht gevend op het uitsluitend gebruik van de woning P.straat te B. Bij diezelfde akte is door de verkopers aan de ouders van appellante het levenslange recht van vruchtgebruik verleend van voornoemd appartementsrecht waarvoor zij als tegenprestatie aan de verkopers een bedrag van f 27.000,-- hebben betaald. Aan appellante is bij beschikking van 21 juni 1991 ingaande 28 maart 1991 (wederom) bijstand verleend. Daarbij is overwogen dat er op grond van het recent uitgebrachte taxatierapport geen aanleiding was de toegekende bijstand in de vorm van een hypothecaire geldlening te verstrekken. Na een herhaalde aanvraag op 14 mei 1993 is vanwege het College aan appellante bij beschikking van 10 juni 1993 meegedeeld dat met het oog op een eventueel te vestigen krediethypotheek op de door haar bewoonde, in eigendom toebehorende woning de waarde van die woning diende te worden getaxeerd. Blijkens het taxatierapport d.d. 10 augustus 1993 bedroeg de onderhandse verkoopwaarde van de in geding zijnde woning vrij van huur en gebruik f 60.000,-- en de executiewaarde bij eigen gebruik f 52.000,--. Bij beschikking van 19 augustus 1993 is vervolgens aan appellante ingaande 14 mei 1993 bijstand verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek, waarbij het bedrag is vastgesteld op maximaal f 15.233,
  3. Daarbij is uitgegaan van een vermogen, belegd in de eigen woning van f 52.000,--. Het bezwaar tegen deze beschikking heeft het College bij beslissing van 29 oktober 1993 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen: "In uw bezwaarschrift voert u - onder meer - aan dat u zich niet kunt verenigen met het gegeven dat aan u de waarde van de gehele woning wordt toegerekend, terwijl u slechts een gedeelte bezit, namelijk de waarde van het blote eigendom. Het is u niet duidelijk waarom, in het kader van uw meest recente aanvraag om bijstand, een krediethypotheek dient te worden afgesloten, terwijl dit, gedurende eerdere periodes waarin aan u bijstand werd verleend, niet het geval was. Tijdens een onderhoud d.d. 23 september 1993 ter toelichting op het bezwaarschrift herhaalde en bevestigde u hetgeen hiervoor ten aanzien van de feiten is vermeld, alsmede het door u in het bezwaarschrift gestelde. Tevens werd door u verklaard dat uw ouders in werkelijkheid niet op de etage wonen waarvan zij het vruchtgebruik hebben. Zij zijn ook niet van plan dit ooit te gaan doen. U betaalt hen de som van f 1.200,-- per half jaar voor het recht van vruchtgebruik dat door hen niet wordt geëffectueerd. Er zijn geen schriftelijke bewijzen van een overeenkomst in deze richting of een bewijs van voornoemde betalingen. Met betrekking tot uw bezwaren tegen de beslissing d.d. 19 augustus 1993 hebben wij het volgende overwogen. Ingevolge artikel 7 a van de ABW kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening onder verband van een (krediet) hypotheek aan de eigenaar van een woning voor zover (verdere) bezwaring op andere wijze dan wel te gelde making daarvan in redelijkheid kan worden verlangd. In casu is ons gebleken dat het blote eigendom van desbetreffende etage bij u berust. Het vruchtgebruik is het (zakelijk) recht dat bij uw ouders berust die dit echter niet effectueren en dit ook niet voornemens zijn. Feitelijk staat tegenover het recht van vruchtgebruik in casu geen prestatie. Ons is gebleken dat de etage uitsluitend door u wordt bewoond. Hierdoor zijn wij in dit geval van mening dat de verplichting tot het vestigen van een krediethypotheek aan u kan worden opgelegd. De volledige executiewaarde bij eigen gebruik valt, naar onze mening, aan te merken als vermogen in de zin van artikel 7 onder b van de ABW.". Gedaagde heeft zich blijkens het bestreden besluit met de opvatting van het College geheel verenigd. Met verwijzing naar de jurispudentie van de voormalige Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State (hierna: RvSt) met betrekking tot de waardering van een woning waarop een zakelijk recht rust, is in beroep onder meer aangevoerd dat de krediethypotheek op nihil gesteld dient te worden. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 7a van de ABW kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek aan de eigenaar van een door deze zelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, voor zover bezwaring of verdere bezwaring op andere wijze dan wel tegeldemaking daarvan in redelijkheid niet kan worden verlangd. Gelet op de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming ziet evengenoemd artikel weliswaar op de situatie waarin de eigendom van de woning en het gebruiksrecht daarvan in één hand zijn, maar evenals de RvSt ziet de Raad in een op de woning rustend zakelijk recht van gebruik en bewoning op zich geen beletsel voor toepassing van artikel 7a van de ABW. Ingevolge artikel 2 van het Bijstandsbesluit krediethypoteek (BKH) wordt het maximumbedrag van de geldlening onder verband van hypotheek bepaald op de waarde van de woning met bijbehorend erf, verminderd met de daarop drukkende schulden en de bij of krachtens de ABW vrij te laten vermogensbedragen. Artikel 4, eerste lid, van het BKH bepaalt dat ter vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf taxatie plaats vindt op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering. De RvSt heeft in onder meer zijn uitspraak van 15 september 1988, nr. G04.87.0401.438E.88, JABW 1989/10, als zijn oordeel te kennen gegeven dat bij de toepassing van artikel 2 van het BKH het zakelijk recht van gebruik en bewoning als een op de woning drukkende last, gelijk te stellen met een op de woning drukkende schuld, in mindering dient te worden gebracht op de waarde bij vrije oplevering. De Raad ziet geen aanleiding met betrekking tot dit punt een ander standpunt in te nemen. Gedaagde, in navolging van het College, is blijkens het bestreden besluit de mening toegedaan dat de volledige executiewaarde bij eigen gebruik in dit geval is aan te merken als het aan appellante toebehorende vermogen. Tijdens de behandeling in administratief beroep heeft de vertegenwoordiger van het College zulks als volgt toegelicht: "Het uitgangspunt ten aanzien van de vaststelling van het vermogen is, dat eerst dan met de negatieve bestanddelen rekening wordt gehouden indien het bestaan daarvan aannemelijk is gemaakt en daaraan tevens daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden (AGvB 22 juni 1988, JABW 1989/21). Echter ondanks ontbrekende prestatie aan de kant van betrokkene tegenover het recht op vruchtgebruik van haar ouders is de gemeente aan dat recht, respectievelijk de waarde daarvan niet voorbij gegaan. Bij de vaststelling van die waarde werd met name gelet op het feit, dat het appartementsrecht niet vrij van huur en gebruik kan worden verkocht. Daarom is in dit geval die waarde bepaald op het verschil tussen de getaxeerde waarde bij vrije oplevering en de executiewaarde in de bewoonde staat. Dat verschil, f 8.000,-- bedragend, werd als zijnde een op de woning drukkende last, in mindering gebracht op de waarde bij vrije oplevering. Ten gevolge daarvan werd de onbelaste waarde van het vermogen gesteld op f 52.000,--, gelijk aan de executiewaarde in bewoonde staat.". De Raad kan het College hierin niet volgen. In het kader van de waardebepaling ingevolge artikel 4, eerste lid, van het BKH gaat het om de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering. Relevant is derhalve in een geval als het onderhavige, wat de waarde is van de blote eigendom c.q. het zakelijk recht van gebruik en bewoning, indien het pand aan derden verkocht zou worden, niet de vraag naar de waarde die het zakelijk recht vertegenwoordigt in de onderlinge verhouding tussen de blote eigenaar en de zakelijk gerechtigde. Door bij de vaststelling van de waarde van het in de woning vastgelegde vermogen van appellante uit te gaan van de executiewaarde bij eigen bewoning, heeft het College en daarmee ook gedaagde een onjuiste uitleg gegeven aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, juncto artikel 2 van het BKH. Voor zover de bijstand is verleend in de vorm van een geldlening onder verband van een krediethypotheek voor een maximumbedrag van f 15.233,91, berust het bestreden besluit gezien het vorenstaande op een onjuiste grondslag en dient het in zoverre te worden vernietigd. Naar ter zitting van de Raad is bevestigd door de gemachtigde van het College, is de opdracht aan de taxateur beperkt gebleven tot de vraag naar de onderhandse verkoopwaarde bij vrije oplevering en de executiewaarde bij eigen gebruik. De waarde van de blote eigendom is door de beëdigd makelaar, welke het College heeft ingeschakeld, niet getaxeerd. Mocht het College van oordeel zijn dat alsnog tot het verstrekken van bijstand onder verband van krediethypotheek moet worden overgegaan, dan zal een dergelijke waardebepaling alsnog dienen plaats te vinden. De Raad merkt in dat verband nog op dat de omstandigheid dat bij eerdere bijstandsverlening niet tot het vestigen van zo'n hypotheek is overgegaan, er op zich niet aan in de weg staat dat bij een bijstandsaanvraag op een later tijdstip wederom de mogelijkheid tot het vestigen van hypotheek wordt bezien. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante, welke zijn begroot op f 1420,-- als kosten voor verleende rechtsbijstand. Van andere op voet van dat artikel te vergoeden kosten is de Raad niet gebleken. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het aangevallen besluit alsmede de beslissing op bezwaar d.d. 29 oktober 1993 en de daaraan ten grondslag liggende beschikking van 19 augustus 1993 van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, voor zover daarbij de bijstand is verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek voor een maximumbedrag van f 15.233,51; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot f 1420,--, te betalen door de provincie Noord-Holland aan de griffier van de Raad; Gelast de provincie Noord-Holland aan appellant het door haar betaalde griffierecht ad f 50,-- te vergoeden. Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van F.E. Rosingh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juni
  4. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) F.E. Rosingh. HL/HD 507

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.