← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6321

95/3765 AAW/WAO O. U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., appellante, en het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Café-, Pension- en aanverwante bedrijven, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is mr O.Z.K. Bánki, advocaat te Deventer, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een, volgens die uitspraak, door de rechtbank te Zutphen onder dagtekening 10 mei 1995 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellante is gereageerd. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 16 juli 1996, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Bij besluit van 11 januari 1995 heeft gedaagde geweigerd aan appellante, in aansluiting op de verstrekking van ziekengeld, met ingang van 24 februari 1995 uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen, op de grond dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg. Appellante werd geacht met de bij haar bestaande beperkingen passende werkzaamheden te kunnen verrichten. De in dit besluit vervatte beslissing berust wat betreft het medische aspect daarvan op het verzekeringsgeneeskundig oordeel dat de prognose ten aanzien van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen dubieus was. Appellante werd geschikt geacht alle activiteiten te verrichten waarbij de enkelbelasting sporadisch en minimaal is. Op basis van arbeidskundig onderzoek werd appellante ongeschikt geacht voor haar eigen werk als part-time cateringmedewerkster. Appellante werd wel in staat geacht om een aantal haar voorgehouden functies te verrichten. Namens appellante is tegen het bestreden besluit op 15 februari 1995 beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift is, onder verwijzing naar een brief d.d. 24 februari 1995 van appellantes behandelend chirurg dr H.W. Bolhuis, bestreden dat de prognose ten aanzien van appellantes medische beperkingen dubieus is. Appellante stelde zich op het standpunt dat zij verwachtte binnen enkele weken weer te kunnen hervatten in haar eigen werk. Namens appellante is onder meer gevorderd het bestreden besluit te vernietigen en gedaagde in de proceskosten te veroordelen. Appellante heeft op 13 april 1995 de president van de rechtbank doen verzoeken om met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit te schorsen. Daarbij is namens appellante aangevoerd dat door het bestreden besluit onduidelijkheid is ontstaan over de rechtspositie van appellante tegenover de werkgever. Volgens appellante wilde de werkgever haar niet laten hervatten in haar eigen werk omdat deze werkgever de opvatting was toegedaan dat appellante, aangezien zij kennelijk niet geschikt werd geacht voor het verrichten van haar eigen werkzaamheden, onverzekerd werkte indien zij daarin toch zou hervatten. Voorts is gevorderd gedaagde in de proceskosten te veroordelen ter zake van deze procedure. Ter zitting van de president van de rechtbank op 27 april 1995, is namens appellante medegedeeld dat dr Bolhuis had toegezegd per brief te zullen verklaren dat appellante vanaf 30 maart 1995 volledig geschikt is voor haar eigen werk. Namens gedaagde is vervolgens toegezegd dat zijn Medische Dienst het oordeel van dr. Bolhuis hieromtrent integraal zou overnemen. Die Medische Dienst zou dit ook mededelen aan de werkgever van appellante. Naar aanleiding hiervan heeft de gemachtigde van appellante, eveneens te genoemder zitting van de president van de rechtbank, zowel het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb als het beroep tegen het bestreden besluit ingetrokken onder het tegelijkertijd gedane verzoek om gedaagde te veroordelen in de proceskosten ter zake van beide procedures. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek afgewezen om gedaagdes bedrijfsvereniging in de kosten te veroordelen die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening heeft moeten maken. De rechtbank heeft uitdrukkelijk in het midden gelaten of in het onderhavige geval moet worden gezegd dat gedaagde geheel of gedeeltelijk aan appellante tegemoet is gekomen, omdat ook als dit het geval zou zijn de rechtbank onvoldoende gronden aanwezig achtte om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat niet gezegd kan worden dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. In het aanvullend hoger beroepschrift is namens appellante gevorderd dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Voorts heeft appellante doen aanvoeren dat gedaagde, door te beslissen dat appellante met ingang van 30 maart 1995 geschikt wordt geacht om haar eigen werk te hervatten wel degelijk tegemoet gekomen is aan appellante. Om die reden acht appellante het aangewezen dat gedaagde door de Raad veroordeeld wordt in de proceskosten van appellante ter zake van het verzoek om een voorlopige voorziening, alsmede in de proceskosten ter zake van het beroep in eerste aanleg. Ten slotte heeft appellante de Raad verzocht gedaagde te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. De Raad overweegt allereerst dat de vormgeving van de aangevallen uitspraak erop zou kunnen duiden dat deze uitspraak is gedaan door de rechtbank. De Raad is echter van oordeel dat niet de rechtbank maar de president van de rechtbank deze uitspraak heeft gegeven. Dit leidt de Raad af uit het dictum van die uitspraak, waarin zowel een beslissing is gegeven omtrent appellantes verzoek tot veroordeling in de proceskosten ter zake van de door haar gevraagde toepassing van artikel 8:81 van de Awb als ter zake van het beroep tegen het bestreden besluit. Nu het hier naar het oordeel van de Raad een kennelijke misslag betreft, zal de Raad deze uitspraak lezen als te zijn gedaan door de president van de rechtbank. Voorts overweegt de Raad dat de president van de rechtbank kennelijk toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. De Raad is hieromtrent van oordeel dat deze bepaling in het onderhavige geval toegepast kon worden, nu namens appellante ter zitting van de president van de rechtbank, onder intrekking van het verzoek tot een voorlopige voorziening, alsmede onder intrekking van het beroep in de hoofdzaak, is verzocht om het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten ter zake van die procedures. Ten aanzien van de namens appellante in hoger beroep gedane vordering tot vernietiging van het bestreden besluit overweegt de Raad dat, aangezien appellante het beroep tegen het bestreden besluit ter zitting van de president van de rechtbank heeft ingetrokken, dat besluit als zodanig geen onderwerp van het geding meer uitmaakt, zodat appellantes hoger beroep op dit punt niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Met betrekking tot de vraag die partijen in hoger beroep verdeeld houdt, voor zover de proceskosten betreffende, heeft de Raad het volgende overwogen. Ingevolge artikel 8:75, derde lid (oud) van de Awb kan de rechtbank, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten veroordelen. Op grond van artikel 8:84, vierde lid (oud) van de Awb komt een gelijke bevoegdheid toe aan de president van de rechtbank. Op grond van artikel 18, eerste lid van de Beroepswet (Bw) kan een belanghebbende bij de Raad hoger beroep instellen tegen, voor zover hier van belang, een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb en tegen een uitspraak van de president van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van die wet. Ingevolge artikel 18, tweede lid, onder c van de Bw kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de president van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid van de Awb. Gelet op deze bepaling is de Raad van oordeel dat evenmin hoger beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van die president over de proceskosten ter zake van het verzoek om een voorlopige voorziening, ook wanneer een dergelijke beslissing wordt gegeven met toepassing van artikel 8:86 van de Awb. Derhalve moet ook in zoverre het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk worden verklaard. De Raad is voorts van oordeel dat het hoger beroep van appellante gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de proceskosten ter zake van het beroep tegen het bestreden besluit niet kan slagen. Daartoe overweegt de Raad dat ingevolge artikel 8:75, derde lid (oud) van de Awb het bestuursorgaan slechts in de proceskosten kan worden veroordeeld in het geval dat het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen. Het beroep van appellante is niet ingetrokken omdat gedaagde geheel of gedeeltelijk aan appellante tegemoet gekomen is, maar omdat gedaagde ter zitting van de president van de rechtbank toegezegd had dat zijn Medische Dienst het oordeel van dr Bolhuis over zou nemen waarbij appellante per 30 maart 1995 weer arbeidsgeschikt werd geacht voor haar eigen werkzaamheden. Het bestreden besluit is niet ingetrokken. Het is evenmin gewijzigd ten aanzien van het bij dat besluit beoogde rechtsgevolg noch ten aanzien van de daaraan gegeven motivering. Dat besluit bleef mitsdien op de datum waarop het betrekking heeft onverkort de rechtsbetrekking tussen partijen bepalen. Gezien het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking voor zover daarbij appellantes verzoek is afgewezen om gedaagde te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. De Raad acht geen termen aanwezig om voor de procedure in hoger beroep toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vernietiging van het bestreden besluit en in haar hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de kosten die appellante in verband met de behandeling van het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb heeft moeten maken; Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige. Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en mr M.M. van der Kade en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 1996. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) B.C. Rog. BvW 23/8

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.