← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6390

95/1096 AW O U I T S P R A A K in het geding tussen: [Appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasdonk als rechtsopvolger van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Geffen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellante heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 27 maart 1995 onder nr. AW 93/34 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 26 september 1996, waar appellante niet is verschenen en zich evenmin heeft doen vertegenwoordigen en waar voor gedaagde is opgetreden mr M.J.M. Schoonhoven, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie te 's-Hertogenbosch. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op een hoger beroep dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende: Vooruitlopend op de samenvoeging van de gemeente Geffen en de gemeente Nuland hebben evenbedoelde gemeenten ter uitvoering van daartoe strekkende besluiten van de betrokken gemeenteraden op 25 oktober 1991 een overeenkomst van dienstverlening gesloten waarbij is besloten tot samenwerking tussen beide gemeenten. Ingevolge die overeenkomst betrof die samenwerking onder meer het ineenschuiven van de ambtelijke organisaties van beide gemeenten per 1 januari 1992 tot de datum van de wettelijke herindeling. Ter realisering daarvan zou het personeel van de gemeenten Nuland en Geffen per 1 januari 1992 worden ontslagen onder gelijktijdige benoeming in dienst van de gemeente Geffen zoals weergegeven in het door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten vastgestelde functieboek met hetgeen daaruit voortvloeit onder de daarbij vastgestelde rechtspositionele voorwaarden en bepalingen behorende bij het reorganisatieproces. In het kader van evenbedoelde overeenkomst van dienstverlening heeft de zogenoemde stuurgroep samenvoeging Geffen/Nuland appellante op 16 december 1991 doen weten haar per 1 januari 1992, met ontslag uit haar vroegere betrekking, definitief voorlopig te benoemen in vaste dienst bij de gemeente Geffen in de functie van [naam functie] (functieboek code 4.8) en haar inschaling per die datum definitief-voorlopig te bepalen op basis van de bij die functie behorende schaal. Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Geffen heeft bij besluit van 18 december 1992 appellantes bezwaar tegen evenbedoelde definitief- voorlopige beslissing van de stuurgroep samenvoeging Geffen/Nuland ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellantes beroep tegen voormeld besluit van 18 december 1992 ongegrond verklaard. De Raad overweegt het volgende: De Raad stelt voorop dat hij, mede gelet op de (mogelijk) aan een onrechtmatig besluit te verbinden (financiële) gevolgen, anders dan gedaagde niet ziet dat appellante - nu zij bij besluit van 10 mei 1994 op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking is ontslagen, haar beroep tegen dat ontslagbesluit door de rechtbank te 's-Hertogenbosch ongegrond is verklaard en het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep wegens termijnoverschrijding door de Raad niet-ontvankelijk is verklaard - bij het onderhavige hoger beroep geen relevant (proces)belang meer zou hebben. Nu de op 16 december 1991 door de stuurgroep samenvoeging Geffen/Nuland ten aanzien van appellante genomen beslissing reeds niet anders kan worden aangemerkt dan als een voorlopige beslissing, moet worden geconstateerd dat hoewel het besluit van 18 december 1992 van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Geffen zich aandient als een ongegrondverklaring van een bezwaar tegen eerdergenoemde beslissing van 16 december 1991, het besluit van 18 december 1992 moet worden aangemerkt als het eerste (definitieve) besluit met betrekking tot appellantes ontslag uit haar vroegere betrekking, haar benoeming per 1 januari 1992 in de functie van [naam functie] (functieboek code 4.8) en haar inschaling op basis van de aan die functie verbonden schaal. Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Geffen heeft zijn besluit van 18 december 1992 genomen ter uitvoering van de hogergenoemde overeenkomst tot dienstverlening van 21 oktober 1991. Zoals kan worden afgeleid uit het kader waarin de aan appellante opgedragen functie is geplaatst, te weten het geheel van functies in de situatie na samenvoeging van de gemeenten Geffen en Nuland, en van de zijde van gedaagde ter zitting van de Raad ook is bevestigd, strekte het besluit van 18 december 1992 van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Geffen ertoe met het oog op de per 1 januari 1993 nieuw te vormen gemeente Maasdonk (definitief) te voorzien in appellantes inpassing. Het besluit van 18 december 1992 verdraagt zich naar het oordeel van de Raad - die thans in het midden laat of, gelet op het bepaalde in artikel 125, tweede lid, van de Ambtenarenwet 1929, in hogergenoemde overeenkomst van 21 oktober 1991 voor het nemen van dat besluit wel voldoende rechtsgrond kan worden gevonden - niet met het bepaalde in artikel 59 van de Wet algemene regels herindeling. In dat artikel is immers bepaald dat ambtenaren als appellante voorlopig overgaan in dienst van de nieuw gevormde gemeente en dat het aan het bevoegde gezag van die gemeente is voorbehouden besluiten te nemen met betrekking tot de inpassing dan wel het ontslag van deze ambtenaar. Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 18 december 1992 van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Geffen reeds wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. Dit betekent dat ook de aangevallen uitspraak niet in stand kan worden gelaten. De Raad ziet voorts voldoende aanleiding om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 710,- aan kosten wegens aan appellante in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en een bedrag groot f 710,- aan kosten wegens aan appellante in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Van andere op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken. Beslist wordt dan ook als volgt: III.BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 18 december 1992 alsnog gegrond; Vernietigt het besluit van 18 december 1992; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot f 710,- en in hoger beroep tot een bedrag groot f 710,-, te betalen door de gemeente Maasdonk; Bepaalt dat de gemeente Maasdonk aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal f 307,50,- vergoedt. Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr A.H. Beijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 1996. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) A.H. Beijer. HD 08.10

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.