← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6476

96/1355 SPW U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., eiser, en het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Verweerder heeft op 21 december 1995 ten aanzien van eiser een besluit vastgesteld waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. Tegen dat besluit heeft eiser op in een aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden bij de Raad beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief d.d. 28 augustus 1996 (met een bijlage) heeft eiser de gronden van het beroep nader aangevuld. Het geding is behandeld ter zitting van 10 oktober

  1. Daar is eiser in persoon verschenen en heeft verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr E.T.M. Stoop, werkzaam bij de Stichting Spoorwegpensioenfonds. II. MOTIVERING De Raad stelt op grond van de gedingstukken de volgende feiten vast. Eiser, die is geboren in 1924, is in het genot van een ouderdomspensioen dat hem onder de vigeur van de toenmalige Spoorwegpensioenwet is verleend. Die wet is bij Wet van 15 december 1993, Stb. 1994, 680, (Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds, verder: de Wet) met ingang van 1 januari 1994 ingetrokken. Het pensioen van eiser komt sindsdien ten laste van de Stichting Spoorwegpensioenfonds, gebaseerd op een pensioenreglement dat valt onder het bereik van de Pensioen- en Spaarfondsenwet. De directie van de Stichting Spoorwegpensioenfonds heeft bij besluit d.d. 27 april 1995 aan eiser bericht dat er, gezien 's Raads uitspraak d.d. 16 februari 1995 (onder andere gepubliceerd in TAR 1995, 115), geen aanleiding bestaat zijn pensioen te wijzigen. Een door eiser tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Aangezien, zoals reeds vastgesteld, de Spoorwegpensioenwet met ingang van 1 januari 1994 is ingetrokken, ziet de Raad zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of hij in absolute zin bevoegd is van het beroep van eiser kennis te nemen. Het antwoord op die vraag is gelegen in artikel 32 van de Wet. Op grond van de verschillende onderdelen van dat voorschrift luidt het antwoord bevestigend, indien het gaat om beslissingen in de zin van de artikelen S 1 en S 2 van de Spoorwegpensioenwet die voor 1 januari 1994 zijn genomen, om beslissingen van verweerder die genomen zijn op grond van het eerste en tweede lid van artikel 32, alsook om besluiten van verweerder die genomen zijn naar aanleiding van verzoeken of aanvragen die voor 1 januari 1994 zijn gedaan. De Raad stelt op grond van de feiten vast dat het directiebesluit d.d. 27 april 1995, waartegen bezwaar, noch het bestreden besluit beslissingen of besluiten zijn als bedoeld in artikel 32 van de Wet. Daarom heeft de Raad niet de bevoegdheid van het beroep van eiser kennis te nemen. Hieraan voegt de Raad, gegeven het bepaalde in artikel 8:71 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), toe dat deze bevoegdheid aan de burgerlijke rechter toekomt. De opvatting van verweerder, dat de Raad in dezen toch, in verband met artikel 32, vierde lid, van de Wet, absoluut competent is omdat aan het directiebesluit d.d. 27 april 1995 de figuur ten grondslag ligt dat eiser geacht wordt in 1991 een verzoek om herziening van een bepaalde pensioenbeslissing te hebben gedaan waarop bij dat directiebesluit is beslist, verwerpt de Raad. Hiertoe acht hij doorslaggevend dat niet is gebleken dat eiser zelf en daadwerkelijk in de tijd vóór 1 januari 1994 een verzoek of aanvraag heeft gedaan als in artikel 32, vierde lid, van de Wet bedoeld. Waarop verweerder doelt is niet anders dan een constructie, die naar 's Raads oordeel niet de kracht heeft het dwingend recht bevattende artikel 32 van de Wet in casu terzijde te plaatsen. Aangezien eiser op aanwijzing van verweerder zijn beroep bij de Raad heeft ingesteld, acht de Raad het geraden, op grond van artikel 8:74 van de Awb de Stichting Spoorwegpensioenfonds te gelasten aan eiser het in dezen betaalde griffierecht te vergoeden. De Raad is niet gebleken van kosten die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen. De Raad beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart zich onbevoegd om van het beroep van eiser kennis te nemen; Gelast de Stichting Spoorwegpensioenfonds aan eiser het betaalde griffierecht ad f 200,-- terug te betalen. Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.L.M.J. Stevens en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 november
  2. (get.) J.G. Treffers. (get.) J.P. Schieveen. HD 30.10 +B

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.