← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6477

95/765 SPW U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., eiser, en het bestuur van de Stichting Spoorwegpensioenfonds, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Verweerder heeft op 12 april 1995 ten aanzien van eiser een besluit vastgesteld waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. Tegen dat besluit heeft eiser op in een aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden bij de Raad beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief d.d. 13 maart 1996 heeft verweerder nog een stuk aan de Raad ingezonden. Bij brief d.d. 2 mei 1996 is namens verweerder geantwoord op een hem namens de Raad schriftelijk gestelde vraag. Bij brief d.d. 22 juli 1996 heeft eiser de gronden van het beroep nader aangevuld. Het geding is behandeld ter zitting van 10 oktober

  1. Daar is eiser in persoon verschenen en heeft verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr E.T.M. Stoop, werkzaam bij de Stichting Spoorwegpensioenfonds. II. MOTIVERING De Raad stelt op grond van de gedingstukken de volgende feiten vast. De directie van het voormalige Spoorwegpensioenfonds heeft aan eiser, die is geboren in 1925, met ingang van 1 januari 1990 een ouderdomspensioen op grond van de toenmalige Spoorwegpensioenwet verleend. Die wet is bij Wet van 15 december 1993, Stb. 1994, 680, (Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds, verder: de Wet) met ingang van 1 januari 1994 ingetrokken. Het pensioen van eiser komt sindsdien ten laste van de Stichting Spoorwegpensioenfonds, gebaseerd op een pensioenreglement dat valt onder het bereik van de Pensioen- en Spaarfondsenwet. Eiser heeft bij brief d.d. 6 maart 1994 bij verweerders fonds bezwaar gemaakt tegen een schriftelijke specificatie van zijn ouderdomspensioen per 1 februari 1994, verzonden op 28 februari 1994, houdende wijziging van het pensioen in verband met het opengevallen recht van eisers echtgenote op een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Dit bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Aangezien, zoals reeds vastgesteld, de Spoorwegpensioenwet met ingang van 1 januari 1994 is ingetrokken, ziet de Raad zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of hij in absolute zin bevoegd is van het beroep van eiser kennis te nemen. Het antwoord op die vraag is gelegen in artikel 32 van de Wet. Op grond van de verschillende onderdelen van dat voorschrift luidt het antwoord bevestigend, indien het gaat om beslissingen in de zin van de artikelen S 1 en S 2 van de Spoorwegpensioenwet die voor 1 januari 1994 zijn genomen, om beslissingen van verweerder die genomen zijn op grond van het eerste en tweede lid van artikel 32, alsook om besluiten van verweerder die genomen zijn naar aanleiding van verzoeken of aanvragen die voor 1 januari 1994 zijn gedaan. De Raad stelt op grond van de feiten vast dat de pensioenspecificatie, waartegen bezwaar, noch het bestreden besluit beslissingen of besluiten zijn als bedoeld in artikel 32 van de Wet. Daarom heeft de Raad niet de bevoegdheid van het beroep van eiser kennis te nemen. Hieraan voegt de Raad, gegeven het bepaalde in artikel 8:71 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), toe dat deze bevoegdheid de burgerlijke rechter toekomt. De opvatting van verweerder, dat de Raad in dezen toch absoluut competent is reeds omdat het ten gronde gaat om een ouderdomspensioen dat in de tijd voor 1 januari 1994 is vastgesteld, verdraagt zich niet met - het dwingend recht bevattende - artikel 32 van de Wet. Aangezien eiser op aanwijzing van verweerder zijn beroep bij de Raad heeft ingesteld, acht de Raad het geraden, op grond van artikel 8:74 van de Awb de Stichting Spoorwegpensioenfonds te gelasten aan eiser het in dezen betaalde griffierecht te vergoeden. Van kosten die voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komen, is de Raad niet gebleken. De Raad beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart zich onbevoegd om van het beroep van eiser kennis te nemen; Gelast de Stichting Spoorwegpensioenfonds aan eiser het betaalde griffierecht ad f 200,-- terug te betalen. Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.L.M.J. Stevens en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 november
  2. (get.) J.G. Treffers. (get.) J.P. Schieveen. HD 30.10 +B

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.