← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6529

E N K E L V O U D I G E K A M E R 95/2402 AAW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is mr J.G.L.M. Schiffeleers, advocaat te Oosterhout, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te Maastricht onder dagtekening 7 februari 1995 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 augustus 1996, waar voor appellante is verschenen mr Schiffeleers voornoemd, terwijl gedaagde - zoals tevoren bericht - niet is verschenen. II. MOTIVERING Appellante heeft op 6 juli 1988 een aanvraag gedaan voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Zij heeft daarbij aangegeven sedert 1977 geheel arbeidsongeschikt te zijn. Bij beslissing van 16 februari 1990 heeft gedaagde met toepassing van artikel 25, tweede lid, eerste volzin van de AAW aan appellante met ingang van 6 juli 1987 - zijnde een jaar vóór de datum van de aanvraag van 6 juli 1988 - uitkering ingevolge de AAW toegekend. Daarbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van genoemd artikellid. Bij beschikking van 21 februari 1992 heeft de Voorzitter van de Raad van Beroep te Roermond het tegen deze beslissing ingestelde beroep gegrond verklaard, die beslissing vernietigd voor zover het betreft de toepassing van artikel 25 lid 2 AAW en bepaald dat gedaagde een nieuwe beslissing neemt met inachtneming van het gestelde in die beschikking. Gedaagde heeft tegen deze beschikking verzet aangetekend. Vervolgens heeft de rechtbank te Roermond bij uitspraak van 12 mei 1993 appellantes beroep tegen de beslissing van 16 februari 1990 gegrond verklaard voor zover het gericht is tegen de ingangsdatum van de AAW-uitkering, die beslissing in zoverre vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuwe beslissing neemt omtrent appellantes aanspraken ingevolge de AAW met inachtneming van hetgeen in rubriek II is overwogen. In rubriek II van genoemde uitspraak is onder meer het volgende overwogen: "Geheel ten overvloede overweegt de rechtbank dat een beslissing waarbij wel zou zijn uitgegaan van een bijzonder geval en tevens zou zijn besloten geen gebruik te maken van de bevoegdheid de uitkering eerder te doen ingaan dan één jaar voor de datum van de aanvraag de rechterlijke toets niet zou hebben kunnen doorstaan. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 18 november 1992 in de zaak nr. AAW/WAO 92/3464, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht, waarin de rechtbank in een soortgelijke kwestie als hier aan de orde heeft overwogen, dat de daarin aan de orde zijnde beslissing niet in stand gelaten kan worden omdat deze strijdig is met artikel 4 van de derde richtlijn, terwijl de betrokken vrouw tot de personenkring van de derde richtlijn behoort, zodat zij vanaf 23 december 1984 die richtlijn rechtstreeks kan inroepen en de bedrijfsvereniging derhalve - mede gezien het bepaalde in het Emmott-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (het Hof) van 25 juli 1991 (AB 1992/1) in redelijkheid niet kon weigeren om, met gebruikmaking van zijn bevoegdheid ex artikel 25, tweede lid AAW, een AAW-uitkering toe te kennen ingaande 23 december 1984 (als gevolg van een kennelijke verschrijving staat in die uitspraak van 1 december 1992 in plaats van laatstbedoelde ingangsdatum van 23 december 1984 per abuis vermeld 24 december 1984). In deze zaak handelt het echter om een vrouw die niet tot de personenkring van de derde richtlijn gerekend kan worden. Op grond van de thans voorhanden gegevens houdt de rechtbank het er namelijk voor dat klaagster sedert 1966 niet meer aan het arbeidsproces heeft deelgenomen en eerst per 1 januari 1977 arbeidsongeschikt wordt geacht. Zulks betekent niet, dat daarom de uitkomst van het rechterlijk oordeel in deze zaak een andere zou zijn dan die welke is gegeven in de hierboven genoemde zaak.". Gedaagde heeft aanvankelijk tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, doch dit later ingetrokken. Appellante heeft geen hoger beroep aangetekend tegen die uitspraak. Gedaagde heeft ter uitvoering van deze uitspraak het thans bestreden besluit van 16 februari 1994 aan appellante uitgereikt, blijkens welk besluit gedaagde van oordeel is dat in het geval van appellante weliswaar sprake is van een bijzonder geval als omschreven in artikel 25, tweede lid laatste volzin van de AAW, maar gelet op de omstandigheden van het geval getoetst aan het door het gedaagde gevoerde beleid geen redenen aanwezig acht om gebruik te maken van zijn bevoegdheid de uitkering vroeger te laten ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag werd ingediend. In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter zitting stelt appellante zich op het standpunt dat het gedaagde op grond van de hiervoor genoemde en deels weergegeven uitspraak van de rechtbank te Roermond van 12 mei 1993 niet meer vrij stond om bij de in die uitspraak door de rechtbank opgedragen nieuw te nemen beslissing af te wijken van hetgeen de rechtbank met betrekking tot de ingangsdatum van de AAW-uitkering in die uitspraak had overwogen. Appellante bestrijdt niet dat het hier overwegingen betreft welke door de rechtbank geheel ten overvloede zijn gegeven, maar stelt dat gedaagde desalniettemin aan deze overwegingen gebonden is omdat deze overwegingen de vernietiging van de bestreden beslissing van 16 februari 1990 zelfstandig dragen. Namens appellante zijn voor het overige geen grieven aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak. De Raad zal zich beperken tot het zojuist genoemde punt van geschil. De Raad stelt vast dat de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 22 mei 1993 in kracht van gewijsde is gegaan, aangezien appellante tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft aangetekend en gedaagde het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken. Naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht en ter zitting van de Raad nader is toegelicht overweegt de Raad dat hij appellantes standpunt in zoverre kan onderschrijven dat het enkele feit dat de rechtbank aangeeft de hiervoor gedeeltelijk weergegeven overwegingen geheel ten overvloede te geven, op zichzelf niet betekent dat deze overwegingen partijen niet zouden kunnen binden. De Raad heeft dienovereenkomstig al eerder overwogen in zijn uitspraak van 15 november 1994, WW 1992/441. Appellantes standpunt dat de bedoelde overwegingen de vernietiging van de beslissing van 16 februari 1990 zelfstandig dragen, deelt de Raad echter niet. Bij zijn in dat geding voorliggende beslissing had gedaagde zich op het standpunt gesteld dat in het geval van appellante geen sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 25, tweede lid laatste volzin, en zich derhalve niet bevoegd geacht de uitkering vroeger te laten ingaan dan een jaar vóór de aanvraagdatum. In haar uitspraak van 22 mei 1993 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat wel sprake is van een bijzonder geval als hier bedoeld, zodat gedaagde zal dienen te beslissen omtrent de wijze waarop hij gebruik maakt van de hem toekomende bevoegdheid de uitkering van appellante eerder te doen ingaan dan één jaar voor de datum van de aanvraag. Van een overweging ten aanzien van die te nemen beslissing kan niet worden gezegd dat deze (mede) de vernietiging van de beslissing draagt, nog daargelaten dat een dergelijke overweging buiten de omvang van het geding gaat en reeds daarom slechts het karakter van een overweging ten overvloede kan hebben. Die overweging kan partijen dan ook niet binden. De Raad is daarom van oordeel dat het gedaagde bij een nieuw te nemen besluit omtrent appellantes aanspraken op AAW-uitkering vrij stond om bij de gebruikmaking van de hem toekomende discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 25, tweede lid laatste volzin van de AAW af te wijken van hetgeen de rechtbank te Roermond in de gewraakte overwegingen daaromtrent heeft overwogen. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat moet worden beslist als hierna onder III is weergegeven. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr M.M. van der Kade in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 september 1996. (get.) M.M. van der Kade. (get.) A.W.M. van Bommel. HD/RH 06.09

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.