← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6577

96/707 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: het bestuur van "De Samenwerking" Bedrijfsvereniging voor het Slagers- en Vleeswarenbedrijf, de Groothandel in Vlees en de Pluimveeslachterijen, appellant, en [A. te B.], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op de daartoe in een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar onder dagtekening 11 januari 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 24 mei 1996 heeft mr E. Holscher, werkzaam bij het Buro voor rechtshulp te Hoorn, namens gedaagde van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 december 1996, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr A.B.M. Adriaansen, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling BV, en waar gedaagde, zoals tevoren bericht, niet is verschenen. II. MOTIVERING Blijkens rubriek 3 van de aangevallen uitspraak - waarin appellant als verweerder is aangeduid, en gedaagde als eiser - heeft de rechtbank de navolgende feiten als vaststaande aangenomen: "Eiser werkte sedert 2 januari 1992 ingevolge een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voltijds als uitbener bij X. B.V.. Op 24 januari 1994 is eiser arbeidsongeschikt geraakt. Op 25 januari 1994 is aan eiser, als verdachte van een strafbaar feit, zijn vrijheid ontnomen. Bij brief van 11 mei 1994 is de arbeidsovereenkomst namens eisers werkgever met onmiddellijke ingang beëindigd, aangezien eiser inmiddels tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf was veroordeeld. Bij besluit van 28 september 1994 is eiser met ingang van 21 september 1994 het recht op ziekengeld ingevolge de Ziektewet ontzegd, op de grond dat eiser vanaf laatstgenoemde datum niet meer arbeidsongeschikt is. Na op 2 november 1994 in vrijheid te zijn gesteld, heeft eiser op 13 november 1994 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Deze uitkering is hem bij besluit van 29 november 1994 geweigerd, aangezien eiser niet voldeed aan de eis dat hij in de twaalf maanden voorafgaande aan 2 november 1994 tenminste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht. Tegen dit besluit is namens eiser bezwaar ingesteld bij verweerder. Bij besluit van 4 mei 1995 heeft verweerder het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.". Die feiten worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming, met dien verstande dat voor de woorden "twaalf maanden" moet worden gelezen "52 weken". De Raad voegt hier nog aan toe dat hij er, met partijen en de rechtbank, van uitgaat dat gedaagdes werkloosheid op 2 november 1994 is ingetreden. In eerste aanleg heeft het geschil tussen partijen zich toegespitst op de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, zoals dat artikel luidde ten tijde hier van belang. De tekst van het eerste en tweede lid van dat artikel luidde toen als volgt (en het is die, tot 1 maart 1995 gegolden hebbende, tekst waar de Raad in deze uitspraak van uitgaat): "

  1. Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 52 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.
  2. Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde aantal van 52 weken worden niet in aanmerking genomen perioden waarin de werknemer a. wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten; of b. werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 en hij de hoedanigheid van werknemen heeft herkregen.". Namens gedaagde is gesteld dat, nu gedaagde van 24 januari 1994 tot en met 20 september 1994 arbeidsongeschikt was wegens ziekte, die periode niet in aanmerking mag worden genomen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde aantal van 52 weken, zodat de zogeheten referteperiode dient te worden "voorverlengd" met die periode van arbeidsongeschiktheid. Appellant daarentegen heeft zich op het standpunt gesteld - samengevat - dat artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW aldus moet worden gelezen dat slechts dan een periode van ziekte buiten aanmerking blijft indien de werknemer in die periode uitsluitend wegens die ziekte geen arbeid kon verrichten. Aangezien gedaagde tijdens zijn onderhavige ziekte gedetineerd was, en derhalve reeds om die reden in de onmogelijkheid verkeerde arbeid te verrichten, kan gedaagdes ziekte niet tot de door hem beoogde voorverlenging van de referteperiode leiden, aldus appellant. De rechtbank heeft appellant in diens hiervoor weergegeven standpunt niet kunnen volgen. Daartoe heeft die rechter overwogen dat de term "uitsluitend" niet in meergenoemd onderdeel van artikel 17 van de WW voorkomt, en dat overigens noch in de WW, noch in de toelichting daarop aanwijzingen zijn te vinden dat die bepaling moet worden gelezen in de door appellant verdedigde zin. De rechtbank is daarom van oordeel dat in gedaagdes geval de referteperiode moet worden verlengd met de periode van ziekte, en dat appellants bestreden besluit reeds op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. Daarnaast heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak opgemerkt dat het bestreden besluit ook op een andere grond voor vernietiging in aanmerking komt. Daaraan ligt de volgende overweging ten grondslag: "Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat eiser in het huis van bewaring arbeid heeft verricht. Dit is van de zijde van verweerder bevestigd. In verband met het vast te stellen recht op uitkering ingevolge de WW is van belang of de door eiser verrichte arbeid met zich heeft meegebracht dat eiser als werknemer in de zijn van de WW moet worden beschouwd, dan wel of de door eiser verrichte werkzaamheden als arbeid zoals bedoeld in artikel 8 van de WW moeten worden aangemerkt. Eveneens is het in dat kader van belang over welke periode eiser arbeid heeft verricht en hoeveel uren per week daarmee gemoeid zijn geweest. Verweerder heeft evenwel ten onrechte nagelaten een en ander te onderzoeken, zodat aan het bestreden besluit in dit opzicht een draagkrachtige motivering ontbreekt.". In hoger beroep heeft appellant met betrekking tot de eerste van de door de rechtbank gehanteerde vernietigingsgronden aangevoerd dat weliswaar toegegeven moet worden dat de term "uitsluitend" niet voorkomt in de tekst van artikel 17 van de WW, maar dat het in strijd met de strekking van de WW zou zijn indien de referteperiode wordt verlengd met een periode van arbeidsongeschiktheid gedurende welke gedaagde toch al, als gevolg van zijn detentie, in de feitelijke onmogelijkheid verkeerde arbeid te verrichten. Appellant heeft in dit verband gewezen op de tekst van artikel 3 van het Besluit van de (voormalige) Sociale Verzekeringsraad van 18 december 1986, Stcrt. 1987, 45, in welk artikel het woord "uitsluitend" wél voorkomt, alsmede op de in 's Raads uitspraak van 14 februari 1984, RSV 1984/159, opgenomen overweging omtrent het oogmerk van de in artikel 27 van de oude Werkloosheidswet vervatte verlengingsregeling. Met betrekking tot de andere door de rechtbank gehanteerde grond voor de vernietiging van het bestreden besluit heeft appellant in zijn aanvullend beroepschrift het volgende aangevoerd : "De rechtbank is van mening dat hoewel is komen vast te staan dat door gedaagde in het huis van bewaring arbeid is verricht, van de zijde van appellant onvoldoende onderzoek is verricht of deze arbeid met zich mee heeft gebracht dat gedaagde als werknemer in de zin van de WW moet worden beschouwd, dan wel of de verrichte werkzaamheden als arbeid zoals bedoeld in artikel 8 van de WW moeten worden aangemerkt. Appellant wenst op te merken dat uit onderzoek is gebleken en ter terechtzitting ook naar voren is gebracht - zie het procesverbaal - dat gedaagde arbeid verrichtte in de houtwerkplaats. Tot het verrichten van de arbeid was gedaagde niet verplicht, terwijl tevens tegenover het verrichten van deze arbeid geen loon stond maar werd volstaan met een vergoeding. Op grond van artikel 3 van de WW wordt als werknemer beschouwd de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Gezien de omstandigheden waaronder en de voorwaarden waarop door gedaagde arbeid werd verricht, is appellant van mening dat er noch sprake kan zijn van het bestaan van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, noch dat de arbeid door gedaagde is verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.". De Raad acht het aangewezen allereerst te beoordelen wat er zij van het door de rechtbank, kennelijk ambtshalve, gegeven oordeel dat appellant had dienen te onderzoeken of de door gedaagde in het Huis van Bewaring verrichte arbeid met zich bracht dat gedaagde als werknemer in de zin van de WW moet worden beschouwd, dan wel of dat werk als arbeid in de zin van artikel 8 van die wet moet worden aangemerkt. De Raad merkt dienaangaande in de eerste plaats op dat de rechtbank in een aan dat oordeel voorafgaande overweging reeds had vastgesteld dat gedaagde "vanaf 24 januari 1994 tot zijn eerste dag van werkloosheid geen arbeid als werknemer heeft verricht". Daarmee is evenwel in tegenspraak dat appellant op dat punt onderzoek had dienen te doen. Ook overigens kan de Raad het hier aan de orde zijnde gedeelte van de aangevallen uitspraak niet onderschrijven. Wat er ook zij van de precieze aard, omvang en duur van de door gedaagde tijdens zijn detentie verrichte arbeid, de Raad vermag niet in te zien dat van die arbeid gezegd zou moeten worden dat gedaagde die verrichtte in een dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de WW of in een arbeidsverhouding als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van die wet. Evenmin ziet de Raad aanleiding die arbeid aan te merken als werkzaamheden in de zin van artikel 8, eerste lid, van de WW, zoals de Raad dergelijke werkzaamheden in zijn rechtspraak - zie onder meer de uitspraak van 17 juli 1990, RSV 1990/345 - heeft omschreven. De Raad baseert dit oordeel op de omstandigheid dat de setting waarbinnen door een gedetineerde in een Huis van Bewaring arbeid wordt verricht zodanig wordt overheerst door diens gevangenschap, dat iedere vergelijking met de, in de artikelen 3, 4 en 5 van de WW vervatte, begrippen dienstbetrekking en arbeidsverhouding en met de in artikel 8 van die wet bedoelde werkzaamheden mank gaat. Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden die partijen in eerste aanleg verdeeld hield, en ook thans nog verdeeld houdt, te weten of de periode van gedaagdes ziekte tijdens diens detentie kan leiden tot het zogenoemde voorverlengen van de referteperiode. Daaromtrent overweegt de Raad dat de tekst van het tweede lid, aanhef en onder a, van artikel 17 van de WW naar zijn oordeel geen volstrekte duidelijkheid geeft. Enerzijds zou het ontbreken van het woord "uitsluitend" in die tekst kunnen leiden tot de door gedaagde en de rechtbank gehuldigde uitleg, anderzijds kan uit het woord "wegens" in die tekst begrepen worden dat er sprake moet zijn van een direct oorzakelijk verband tussen de arbeidsongeschiktheid en het niet-werken, met uitsluiting van eventuele andere oorzaken. De onderhavige bepaling blijkt mitsdien voor meer dan één uitleg vatbaar te zijn, welke omstandigheid er toe noopt na te gaan welke uitleg het best aansluit bij de wetssystematiek en/of de bedoeling van de wetgever. In dat verband stelt de Raad vast dat het bepaalde in het tweede lid van artikel 17 van de WW moet worden aangemerkt als een uitzondering op de in het eerste lid van dat artikel neergelegde hoofdregel dat de referteperiode slechts 52 weken bevat. Om die reden acht de Raad het in de rede liggen dat tweede lid in restrictieve zin uit te leggen, hetgeen met zich brengt dat de referteperiode slechts kan worden voorverlengd indien en voor zover die bepaling dan wel de toelichting daarop daartoe ondubbelzinnig dwingt. Zoals in het vorenstaande is overwogen geeft de onderhavige bepaling geen ondubbelzinnige regeling voor situaties waarin meerdere oorzaken gelijktijdig aan de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid in de weg staan. Een restrictieve uitleg in de door appellant verdedigde zin - dus: voor het vaststellen van de referteperiode van 52 weken worden alleen die perioden buiten aanmerking gelaten waarin de werknemer niet heeft kunnen werken uitsluitend als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid - acht de Raad in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, althans met die bedoeling zeker niet in strijd. De Raad wijst er op dat de strekking van de in de (nieuwe) WW neergelegde verlengingsregeling, voor zover hier van belang, geen andere is dan die welke was neergelegd in artikel 27, eerste lid, van de oude Werkloosheidswet (zie 's Raads uitspraak van 11 februari 1992, RSV 1992/219), en dat de Raad in de door appellant genoemde uitspraak, gepubliceerd in RSV 1984/159, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis het oogmerk van de in laatstgenoemd artikel vervatte verlengingsregeling heeft omschreven als: "voor in de oorspronkelijke referteperiode van 12 maanden gelegen dagen, waarop de werknemer door arbeidsongeschiktheid in de feitelijke onmogelijkheid verkeerde ter voldoening aan de dageneis werkzaam te zijn, compensatie te bieden door aan die referteperiode een overeenkomstig aantal dagen toe te voegen waarop voor de werknemer die mogelijkheid wél bestond." Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat appellant zich terecht op het standpunt stelt dat de periode gedurende welke gedaagde tijdens diens detentie arbeidsongeschikt was niet buiten aanmerking mag worden gelaten voor de vaststelling van de referteperiode. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat, nu vaststaat dat gedaagde in de overeenkomstig het eerste lid van artikel 17 van de WW berekende referteperiode in minder dan 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht, appellant bij het bestreden besluit terecht de afwijzing van gedaagdes aanvraag om uitkering ingevolge de WW heeft gehandhaafd. Dat besluit is derhalve door de rechtbank ten onrechte niet in stand gelaten, zodat de aangevallen uitspraak zal moeten worden vernietigd en gedaagdes inleidend beroep alsnog ongegrond zal moeten worden verklaard. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond. Aldus gegeven door mr J.C.F. Talman als voorzitter en mr P.H. Hugenholtz en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 december
  3. (get.) J.C.F. Talman. (get.) G. Leppink-Kooistra. RH 3112

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.