95/4314 AAW, 95/4320 AAW 95/4323 AAW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 31 januari 1994 heeft gedaagde met toepassing van artikel 48 (oud) van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van appellant teruggevorderd een bedrag van f 9.928,08 ter zake van hetgeen op grond van die wet over de periode van 3 oktober 1989 tot 1 juli 1990 onverschuldigd aan appellant was betaald (hierna: besluit I). Bij besluit van 24 mei 1993 heeft gedaagde het bedrag van f 1.240,59 aan AAW-uitkering, dat aan appellant nabetaald diende te worden over de periode van 1 februari 1992 tot en met 19 juli 1992, in zijn geheel verrekend met de aan appellant onverschuldigd uitbetaalde uitkering krachtens de AAW (hierna: besluit II). Bij besluit van 10 augustus 1993 heeft gedaagde zijn eerdergenomen besluit tot verrekening van de aan appellant ten onrechte uitbetaalde uitkering krachtens de AAW door middel van het maandelijks op appellants AAW-uitkering inhouden van een bedrag van f 100,--, gehandhaafd (hierna: besluit III). De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 5 april 1995 de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Appellant heeft bij gemachtigde mr J.A.B.H.M. Willemse, advocaat te Ulft, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de gedingstukken, behorende bij een eerdere tussen partijen gevoerde procedure voor de Arrondissementsrechtbank te Zutphen, registratienummer 91/2110 AAW, aan het dossier toegevoegd. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 februari 1997, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr L.B.F.M. Hellwig, werkzaam bij Gak Nederland B.V., als zijn gemachtigde. II. MOTIVERING Bij besluit van 2 juli 1985 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 5 mei 1984 een AAW-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 3 oktober 1989 is appellant inkomsten uit arbeid gaan genieten als vuilnisbelader in loondienst. Bij besluiten van 20 en 21 augustus 1991 zijn appellants inkomsten onder toepassing van het bepaalde in artikel 34 (oud) van de AAW op zijn uitkering in mindering gebracht, in dier voege dat appellants uitkering met ingang van 3 oktober 1989 slechts gedeeltelijk en met ingang van 1 november 1989 in het geheel niet meer tot uitbetaling kwam. Deze besluiten zijn rechtens onaantastbaar geworden. Bij besluit van 17 april 1991 heeft gedaagde met toepassing van artikel 48 (oud) van de AAW van appellant teruggevorderd een bedrag van f 13.367,17 ter zake van hetgeen op grond van die wet over de periode van 3 oktober 1989 tot 1 juli 1990 onverschuldigd aan appellant was betaald. De rechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 17 augustus 1993, registratienummer 91/2110 AAW 06, het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, onder meer overwegende (waarbij voor verweerder dient te worden gelezen gedaagde en voor klager dient te worden gelezen appellant): "De rechtbank constateert vervolgens dat verweerder klagers geestelijke gezondheidstoestand in het geheel niet in zijn besluitvorming heeft betrokken. Ook bij de advisering zijdens de GMD voorafgaande aan de beslissingen van 20 en 21 november 1990 heeft geen medisch onderzoek plaatsgevonden. Gelet op de voorhanden, sterk verouderde medische gegevens had verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nadere informatie mogen aannemen dat het verzwijgen van de inkomsten aan klager ten volle kon worden toegerekend. De bestreden beslissing is in zoverre op onvoldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen." Ter voorbereiding van besluit I heeft J.L. Apperloo, verzekeringsgeneeskundige van de toenmalige Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD), een onderzoek ingesteld en geconcludeerd: "Gelet op de geestelijke gezondheidstoestand is het, naar mijn mening, over de periode van 3 oktober 1989 tot 1 juli 1990, aan belanghebbende sterk verminderd toe te rekenen, dat hij destijds verzuimd heeft terstond uit eigener beweging de BV juist en volledig te informeren omtrent zijn werkzaamheden en inkomsten uit arbeid." Vervolgens heeft gedaagde het bestreden besluit I genomen, waarbij de terugvordering van een bedrag van f 9.928,08 primair is gebaseerd op artikel 48, lid 1, aanhef en onder a, (oud) van de AAW, inhoudende dat hetgeen door toedoen van appellant onverschuldigd aan uitkering krachtens de AAW is betaald kan worden teruggevorderd gedurende vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling, en subsidiair is gebaseerd op artikel 48, lid 1, aanhef en onder b, (oud) van de AAW, inhoudende dat in de overige gevallen waarin het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat onverschuldigd een AAW-uitkering is uitbetaald, kan worden teruggevorderd gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling. De rechtbank te Zutphen heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard, overwegende (waarbij voor eiser dient te worden gelezen appellant en voor verweerder dient te worden gelezen gedaagde): "Daargelaten wat er zij van de zogeheten a-grond van artikel 48 van de AAW, in elk geval is aan de voorwaarden voor toepassing van de zogeheten b-grond voldaan zodat verweerder op deze grond bevoegd is tot terugvordering. Immers, onder de gegeven omstandigheden moet het eiser redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat verweerder onverschuldigd betaalde. In dit verband wordt met name verwezen naar het rapport d.d. 15 september 1992 uitgebracht ten behoeve van de zaak geregistreerd onder nummer 91/2110 AAW en de overwegingen terzake in de uitspraak van 17 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.