← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6671

95/8536 ZW O. U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., appellante, en het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij brief van 15 augustus 1995 is vanwege gedaagde aan appellante kennis gegeven van het besluit om aan haar met ingang van 4 september 1995 geen uitkering ingevolge de Ziektewet toe te kennen, omdat zij niet meer ongeschikt was tot het verrichten van haar werk. De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 26 oktober 1995 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellante is bij gemachtigde mr M.J.M. Postma, advocaat te Utrecht, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op de bij aanvullend beroepschrift d.d. 22 maart 1996 aangevoerde gronden. Gedaagde heeft bij brief van 1 mei 1996 een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 december 1996, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Postma voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr E.A. Schouten, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling Sociale Verzekeringen van Detam en BVG. Ter zitting van de Raad heeft de raadsman van appellante, met instemming van gedaagdes gemachtigde, nog een brief d.d. 3 december 1996 van de huisarts van appellante overgelegd. II. MOTIVERING Naar uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad blijkt, is appellante op 17 augustus 1992 voor 40 uur per week als schoonheidsspecialiste gaan werken bij een drogisterij-parfumerie. Op 3 februari 1995 is appellante wegens spanningsklachten samenhangend met een arbeidsconflict ongeschikt geworden voor haar werk, terzake waarvan aan haar ziekengeld is toegekend. Dit arbeidsconflict hield verband met de overname van het bedrijf en voortzetting van de exploitatie door de zoon van de vorige eigenaar, - die volgens appellante - haar had aangeboden voor 24 uur per week tegen een lager salaris te gaan werken, waartegen appellante bezwaren had. Aan het dienstverband is vervolgens medio april 1995 een eind gekomen. In verband met dit ziektegeval heeft appellante laatstelijk op 15 augustus 1995 het spreekuur van de verzekeringsgeneeskundige van gedaagdes bedrijfsvereniging bezocht, die haar per 4 september 1995 niet langer arbeidsongeschikt achtte. Gelet op hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd, is in dit geding primair aan de orde de vraag of het bestreden besluit voldoet aan de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde motiveringeisen. Het bestreden besluit luidt als volgt: "U meldde zich per 3 februari 1995 arbeidsongeschikt voor uw werk als medewerkster bij werkgever X. BV. Op grond van de Ziektewet bestaat alleen recht op ziekengeld wanneer de verzekerde wegens ziekte ongeschikt is voor zijn werk. U bent met ingang van 4 september 1995 niet (meer) wegens ziekte ongeschikt voor uw werk. U heeft daarom met ingang van 4 september 1995 geen recht (meer) op ziekengeld. De motivering voor deze beschikking wordt u op verzoek toegezonden. U kunt binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief vragen om een motivering.". Bij verweerschrift in eerste aanleg heeft gedaagde wat betreft de motivering van het bestreden besluit het navolgende aangevoerd: "Ingevolge het bepaalde in artikel 4:18 lid 2 (lees: lid 1) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de vermelding van de motivering achterwege blijven indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat. Eiseres heeft op het spreekuur d.d. 15 augustus 1995 aan verweerders verzekeringsgeneeskundige kenbaar gemaakt het eens te zijn met de conclusie dat eiseres per 4 september 1995 arbeidsgeschikt is voor haar werk als schoonheidsspecialiste (gedingstuk 2). Verweerder heeft derhalve redelijkerwijs kunnen aannemen dat aan een motivering geen behoefte bestond. Na afgifte van de beschikking heeft eiseres niet om een motivering verzocht. Tevens is verweerder van oordeel dat het voor eiseres voldoende duidelijk is dat met het werk in de beschikking, het werk als schoonheidsspecialiste wordt bedoeld. De arbeidsgeschiktheid voor het werk als schoonheidsspecialiste heeft verweerders verzekeringsgeneeskundige uitvoerig met eiseres besproken.". De Raad kan zich met de zienswijze van gedaagde omtrent het toepassingsbereik van artikel 4:18 van de Awb niet verenigen. Uit de Memorie van Toelichting bij het onderhavige artikel blijkt, dat bij situaties waarin een (volledige) vermelding van de motivering overbodig is, is gedacht aan gevallen waarin geen enkele belanghebbende behoefte heeft aan vermelding van de motivering, bij voorbeeld omdat niemand door de beschikking wordt geschaad of belast, omdat de beschikking conform de aanvraag is of omdat de beschikking reeds lang was aangekondigd en de motivering reeds lang bekend was, zonder dat iemand bezwaar tegen de beslissing zal hebben. Het onderhavige artikel is dan ook in de eerste plaats bedoeld voor begunstigende beschikkingen, waarbij de ingediende aanvraag wordt toegewezen, zodat gedaagdes standpunt op gespannen voet met deze wettelijke bepaling staat en derhalve niet kan worden onderschreven. In artikel 4:16 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te berusten op een deugdelijke motivering. Ingevolge artikel 4:17, lid 1 van de Awb dient de motivering bij de bekendmaking van de beschikking te worden vermeld. Op deze hoofdregel vormt het derde lid van artikel 4:17 een uitzondering door te bepalen dat, indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van de beschikking kan worden vermeld, het bestuursorgaan deze zo spoedig mogelijk verstrekt. Naar het oordeel van de Raad heeft deze situatie van spoedeisendheid zich in het onderhavige geval niet voorgedaan, aangezien appellante, zoals uit het eerder overwogene blijkt, op 15 augustus 1995 het spreekuur van de verzekeringsgeneeskundige heeft bezocht en zij eerst met ingang van 4 september 1995 hersteld verklaard werd. De hersteldverklaring is mitsdien op een zodanige termijn gesteld, dat voldoende tijd voor het opnemen van een deugdelijke motivering in het te nemen besluit heeft opengestaan. De Raad is verder van oordeel dat het besluit, zoals het voorligt, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval niet voldoet aan de eis van artikel 4:17, lid 1 van de Awb. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat aan het dienstverband van appellante medio april 1995 een einde was gekomen, waarna aan haar een werkloosheidsuitkering is toegekend, en dat appellante, zoals zij ter zitting van de Raad heeft toegelicht, na haar hersteldverklaring niet meer bij haar oude werkgever kon terugkeren. In deze situatie is volgens constante jurisprudentie van de Raad voor de maatstaf arbeid bepalend het laatstelijk door de betrokkene verrichte werk, zij het bij een andere werkgever en zonder dat de aan dat werk verbonden (zeer) specifieke werkomstandigheden daarbij in aanmerking worden genomen. In de kennisgeving van het bestreden besluit is aan dit aspect geen aandacht geschonken. Naar het oordeel van de Raad is bij de bekendmaking van dat besluit dan ook onvoldoende tot uitdrukking gebracht voor welke arbeid appellante per 4 september 1995 weer geschikt werd geacht. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wegens schending van artikel 4:17, lid 1 van de Awb moet worden vernietigd. De Raad heeft geen grond aanwezig geacht om het bestreden besluit ondanks de schending van voormeld voorschrift in stand te laten. Mede gelet op de in eerste aanleg tegen het bestreden besluit aangevoerde grieven, valt naar het oordeel van de Raad niet uit te sluiten dat appellante door die schending is benadeeld, zodat hier aan het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb geen toepassing kan worden gegeven. De Raad heeft verder geen termen aanwezig geacht om met toepassing van artikel 8:72, lid 3 van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, aangezien de beschikbare medische gegevens voor dit oordeel onvoldoende zekerheid bieden. Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de kosten van appellante, welke zijn begroot op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op f 40,81 als overige kosten, totaal derhalve f 2.880,81. Van andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten is de Raad niet gebleken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede het bepaalde in artikel 24 en 25, lid 1 van de Beroepswet stelt de Raad verder vast dat het door appellante in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagdes bedrijfsvereniging dient te worden vergoed. Mitsdien wordt beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot f 2.880,81, te betalen door gedaagdes bedrijfsvereniging aan de griffier van de Raad. Verstaat dat gedaagdes bedrijfsvereniging aan appellante het gestorte recht van f 200,-- vergoedt. Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr M.A. Hoogeveen en mr Chr. van Voorst als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 1997. (get.) B.J. van der Net. (get.) R.E. Lysen. HD/HL 1301

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.