← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6681

95/9336 WW O. U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant 1], wonende te [woonplaats], appellant, en het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is mr M. de Jong, advocaat te Tilburg, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te [vestigingsplaats] onder dagtekening 16 november 1995 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd hebben partijen nog nadere stukken overgelegd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 december 1996, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr De Jong voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door E.J.J. Loontjens, werkzaam bij Gak Nederland bv. II. MOTIVERING De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder, de navolgende feiten en omstandigheden als vaststaand aangenomen: "Eiser is tot 1 juni 1993 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij [naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats]. Het dienstverband is met wederzijds goedvinden beëindigd. Partijen hebben daartoe op 3 juni 1993 een beëindigingsovereenkomst getekend. In deze overeenkomst is onder andere verwoord: " ... [appellant 1] treedt derhalve per 1 juni 1993 uit dienst van [naam B.V.] en maakt geen aanspraak op verdere betalingen van salaris etc. Ter gedeeltelijke tegemoetkoming in de nadelen voor [appellant 1] zal aan hem een schadeloosstelling worden verstrekt van f 13.500,-- bruto, en zal netto f 8.416,-- worden uitbetaald voor eind juni

  1. Partijen verklaren voorts na uitvoering van het voorgaande niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar over en weer finale kwijting te verlenen.". Tussen eiser en zijn ex-werkgeefster is, na beëindiging van het dienstverband, een geschil ontstaan over de uitbetaling van vakantietoeslag over de periode juni 1992 tot en met mei
  2. Eiser heeft betaling verzocht van de niet-ontvangen vakantietoeslag. [naam B.V.] heeft geweigerd de vakantietoeslag uit te betalen, stellende dat eiser met de ondertekening van de overeenkomst van 3 juni 1993 uitdrukkelijk heeft verklaard niets meer van haar te vorderen te hebben. De door eiser vervolgens begonnen kantongerechtsprocedure is als gevolg van het faillissement van [naam B.V.] op 31 maart 1994 geschorst. Op 2 mei 1994 heeft eiser verweerder verzocht op grond van artikel 61 van de WW de loonbetalingsverplichting (vakantietoeslag juni 1992-mei 1993) over te nemen. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. In zijn besluit van 17 augustus 1994 overweegt verweerder primair dat op grond van artikel 61 van de WW geen betaling kan plaatsvinden omdat eiser geen vordering heeft op zijn ex-werkgeefster nu per 1 juni 1993 een eindafrekening heeft plaatsgevonden tegen "finale kwijting". Subsidiair overweegt verweerder dat, indien er nog wel een loonvordering op de failliete werkgeefster zou bestaan, er geen verband bestaat tussen het ontstaan van de eventuele vordering en de oorzaak die heeft geleid tot het faillissement van deze werkgeefster. Alvorens op 7 september 1994 bezwaar aan te tekenen tegen het besluit van verweerder bericht de curator in het faillissement van [naam B.V.] op 6 september 1994 aan eiser zijn vordering te hebben erkend en te hebben geplaatst op de lijst van voorlopige erkende schuldvorderingen. In het bestreden besluit van 17 november 1994 overweegt verweerder dat de erkenning van de vordering van eiser door de curator nog niet betekent dat de vordering ook in rechte vaststaat. Voorts overweegt verweerder dat de curator een niet-aanvaardbare uitleg heeft gegeven aan de finale kwijting en dat door de ondertekening van de overeenkomst van 3 juni 1993 tegen finale kwijting, werkgeefster en werknemer geen enkele vordering meer op elkaar hebben. Verweerder overweegt tenslotte dat, zo er al wel een vordering van eiser op zijn ex-werkgeefster bestaat, artikel 62, aanhef en sub b, van de WW geen toepassing kan vinden dat er geen relatie bestaat tussen de niet-uitbetaling van de vakantietoeslag en het faillissement.". Die door partijen niet betwiste feiten en omstandigheden worden ook door de Raad bij zijn oordeelsvorming als uitgangspunt genomen. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit van 17 november 1994 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Aan de orde is de vraag of gedaagde op juiste gronden heeft geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de WW te verstrekken terzake van vakantietoeslag die appellant nog van [naam B.V.] (hierna: [de B.V.]) tegoed zou hebben. De Raad overweegt dienaangaande het volgende. De Raad constateert dat de curator van [de B.V.] de vordering met betrekking tot de vakantietoeslag voorlopig heeft erkend. Deze voorlopige erkenning, die van belang is voor de verificatie van de schulden van [de B.V.], heeft evenwel, anders dan appellant van mening is, niet tot gevolg dat gedaagde bij de uitvoering van hoofdstuk IV van de WW zonder meer gehouden zou zijn uit te gaan van de rechtsgeldigheid van de vordering. Gedaagde zal zelf een oordeel dienen te geven omtrent het al dan niet bestaan van het vorderingsrecht, waartoe gedaagde zonodig zelf het benodigde onderzoek zal moeten doen om tot een verantwoorde beslissing te komen. Daarbij is het in de eerste plaats van belang te weten om welke reden de curator de vordering voorlopig heeft erkend. Betreft het immers een deugdelijk gemotiveerde voorlopige erkenning dan is dat een factor waaraan bij de beoordeling gewicht toegekend moet worden. Van de zijde van appellant is in eerste aanleg een brief van 17 februari 1995 van de curator van [de B.V.] overgelegd, waarin deze curator nader motiveert waarom de vordering van appellant volgens hem terecht was. Daaraan heeft de curator toegevoegd dat hij [de B.V.] in dezelfde zin geadviseerd zou hebben, indien hij niet als curator in het faillissement maar als juridisch adviseur van [de B.V.] zou zijn opgetreden. Van deze motivering vermeldt de Raad hier de navolgende passages: "De akte van kwijting d.d. 3 juni 1993 spreekt slechts over de vastgestelde noodzaak tot beëindiging van de relatie en bepaalt als datum van beëindiging 1 juni 1993; van verdere - dus voor wat betreft de periode ná 1 juni 1993 - betaling van salaris etc. wordt afgezien. In de alinea volgend op het vorenstaande wordt vastgesteld welke vergoeding betaald zal worden "ter gedeeltelijke tegemoetkoming in de nadelen". Er kan geen twijfel over bestaan dat met "nadelen" slechts gedoeld kán worden op nadelen in verband met de beëindiging van het dienstverband per 1 juni
  3. De kwijting in de laatste alinea van deze akte kan toch slechts betrekking hebben op de regeling in verband met de beëindiging, omdat daarin uitdrukkelijk verwezen wordt naar "het voorgaande" en het voorgaande over niets anders handelt dan over de beëindiging. Indien het van de zijde van [naam B.V.] de intentie zou zijn geweest om ook het verleden te regelen met de akte, had in de kwijting uitdrukkelijk vermeld moeten worden dat ook kwijting verleend werd voor wat betreft bestaande verplichtingen op grond van de arbeidsrelatie; nu heeft de finale kwijting wat mij betreft op niets anders betrekking dan op de beëindiging zelf van de arbeidsrelatie.". Gedaagde blijft zich, ook na kennisname van de nadere motivering van de curator, op het standpunt stellen dat de laatste alinea van de overeenkomst niet anders gelezen kan worden dan dat door appellant totale kwijting is verleend, derhalve ook voor de nog uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen tot 1 juni 1993, zodat het recht van appellant op vakantietoeslag teniet is gegaan. De Raad overweegt hieromtrent dat bij de beoordeling van de strekking van de op 3 juni 1993 door appellant en [de B.V.] getekende beëindigingsovereenkomst, zeker nu het hier een onderhandse akte betreft, niet alleen de tekst van de overeenkomst van belang is, maar ook de context waarin die beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen. In dat verband wijst de Raad erop dat de gemachtigde van appellant op 1 juni 1993 een schriftelijk voorstel omtrent de beëindiging van de overeenkomst aan [de B.V.] heeft doen toekomen, met daarin opgenomen een te betalen schadevergoeding van f 27.500,--, welk bedrag gebaseerd was op de duur van het dienstverband en de oorzaak van de verstoorde arbeidsverhouding. In dat voorstel is er uitdrukkelijk op gewezen dat het betalen van een eventuele schadevergoeding uiteraard de afrekening van de dienstbetrekking (loon, vakantietoeslag en vakantiedagen) onverlet zou laten. Verder acht de Raad van belang dat in de beëindigingsovereenkomst niet uitdrukkelijk afstand is gedaan van het uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende recht op loon en vakantietoeslag tot 1 juni
  4. Voorts is niet gebleken dat appellant in de onderhandelingen uitdrukkelijk akkoord is gegaan met het vervallen van zijn aanspraak op vakantietoeslag in ruil voor de bedongen schadeloosstelling. Gelet op vorenvermelde omstandigheden onderschrijft de Raad, anders dan de rechtbank, de strekking van het door de curator van [de B.V.] ingenomen standpunt dat de kwijting in de laatste alinea van de akte redelijkerwijs slechts betrekking kan hebben op de regeling in verband met de beëindiging van de overeenkomst en dat appellant daarmee niet heeft beoogd, en [de B.V.] ook redelijkerwijs niet kon aannemen, dat appellant kwijting verleende terzake van de betalingsverplichtingen die betrekking hebben op de periode tot 1 juni 1993, waaronder de verplichting tot betaling van vakantietoeslag. Overigens wil de Raad niet onvermeld laten dat [de B.V.] kennelijk de bedoelde kwijting ook niet heeft gezien als een totale kwijting met betrekking tot alle arbeidsrechtelijke verplichtingen. Van de zijde van appellant is namelijk onweersproken gesteld dat [de B.V.] na het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst, behalve de overeengekomen schadeloosstelling, ook het nog uitstaande loon over de maand mei 1993 heeft betaald. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat gedaagde zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen vordering op [de B.V.] zou hebben wegens niet betaalde vakantietoeslag. Ter zitting van de Raad heeft gedaagde meegedeeld dat de subsidiair in het bestreden besluit opgenomen weigeringsgrond niet langer wordt gehandhaafd. Gezien het vorenstaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak, aangezien daarin dat besluit ten onrechte in stand is gelaten. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- wegens rechtsbijstand in beroep en f 1.420,-- wegens rechtsbijstand in hoger beroep, totaal f 2.840,--. Van andere op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep gegrond; Vernietigt het bestreden besluit van 17 november 1994; Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in 's Raads uitspraak is overwogen; Verstaat dat gedaagdes bedrijfsvereniging aan appellant het gestorte recht van f 200,-- vergoedt; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot f 2.840,--, te betalen door gedaagdes bedrijfsvereniging aan de griffier van de Raad. Aldus gegeven door mr P.H. Hugenholtz als voorzitter en mr J.C.F. Talman en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 januari
  5. (get.) P.H. Hugenholtz. (get.) G. Leppink-Kooistra. RH 2101

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.