← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6726

95/1313 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: B.V. X., gevestigd te Y., appellante, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen als rechtsopvolger van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 20 april 1990 heeft gedaagde aan appellante kennis gegeven van zijn beslissing dat de voor appellante werkzame telefonische enquêteurs verplicht verzekerd zijn ingevolge artikel 3 van de Werkloosheidswet (hierna: WW), de Ziektewet (hierna: ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) en de Ziekenfondswet (hierna: Zfw). De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 16 maart 1995 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Namens appellante heeft mr J. van der Plas, werkzaam bij Paardekooper & Hoffman belastingadviseurs te Rotterdam, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op de bij aanvullend beroepschrift d.d. 8 september 1995 (met bijlagen) aangevoerde gronden. Gedaagde heeft bij brief van 28 november 1995 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 28 november 1996 ( met bijlagen) heeft gedaagde nog enkele vragen van de Raad beantwoord. Namens appellante is bij brief van 17 januari 1997 op de brief van gedaagde van 28 november 1996 gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari 1997, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door C., directeur, en D., administrateur, bijgestaan door mr J. van der Plas, voornoemd, als hun raadsman. Gedaagde heeft zich ter zitting van de Raad doen vertegenwoordigen door mr A.C.J.M. Schröder, werkzaam bij Gak Nederland B.V. II. MOTIVERING Aan rubriek 3 van de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiser is aangemerkt en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden. "Op verzoek van eiser heeft het GAK in april 1988 onderzoek gedaan naar de verzekeringsplicht van eiser voor de enquêteurs die in opdracht van eiser telefonisch marktonderzoek verrichtten. Aanleiding voor dit onderzoek was de omstandigheid dat concurrenten van eiser, die tot dan toe zelf premieplicht geaccepteerd had, ten behoeve van hun enquêteurs geen sociale premies bleken af te dragen, terwijl er op vrijwel identieke wijze werd gewerkt. Uit het onderzoek van het GAK naar de aard van de arbeidsverhouding tussen eiser en de enquêteurs is het volgende gebleken. Eiser maakt gebruik van een groep afroepkrachten die op het bedrijfsadres telefonische enquêtes afneemt. Het gaat hierbij om een bestand van circa tweehonderd mensen - vrijwel uitsluitend huisvrouwen en studenten -, dat wisselend werkzaam is en wekelijks contact opneemt met de vraag of er werk beschikbaar is. Er wordt gewerkt in blokken van vier uur. De verkregen gegevens worden direkt in de computer ingevoerd of op een enquêteformulier ingevuld. Het staat een enquêteur vrij om op een werkaanbod voor een bepaalde dag niet in te gaan. Het komt voor dat een kandidaat op een dag de werkzaamheden niet kan verrichten en een ander, bijvoorbeeld een familielid, zijn plaats laat innemen. Ten aanzien van de vrijheid van komen en gaan, dat wil zeggen de vrijheid om zonder verstoring van de arbeidsverhouding de werkplek te mogen verlaten wordt in het onderzoeksrapport gezegd dat deze theoretisch is. Met uitzondering van korte pauzes om koffie te drinken of sigaretten te kopen werken betrokkenen onafgebroken gedurende een tijdblok. Indien om een of andere reden niet voldaan kan worden aan het vol maken van een blok zal de betrokkene dat vooraf kenbaar maken en niet komen werken. Op grond van deze omstandigheden is door verweerders kleine commissie geadviseerd om premieplicht voor eiser aan te nemen. Conform dit advies heeft verweerder het bestreden besluit genomen.". In dit geding worden partijen allereerst verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of gedaagde bij de bestreden beslissing de arbeidsverhouding tussen appellante en de voor haar werkzame enquêteurs terecht heeft aangemerkt als arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht en of gedaagdes besluit tot het aannemen van verplichte verzekering (en de daaruit voortvloeiende premieplicht) in overeenstemming is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast is in geschil of in dit geding de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat werkgeversgezag alleen al kan worden aangenomen op grond van de omstandigheid dat de aard en de structuur van de werkzaamheden van de enquêteurs structureel zijn ingebed in het totale organisatiepatroon van de bedrijfsvoering. De rechtbank heeft voorts onaannemelijk geacht dat de enquêteurs een meer dan theoretische vrijheid hebben van komen en gaan, mede gezien de structuur van het werk. Tenslotte acht de rechtbank het werk niet zodanig eenvoudig dat het zonder nadere werkinstructies van en toezicht door appellante verricht zou kunnen worden. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, waarbij de Raad in grote lijnen de gronden die de rechtbank ter zake van betekenis heeft geacht, overneemt. Het beroep van appellante kan derhalve in zoverre niet slagen. Van de kant van appellante is verder aangevoerd dat de bestreden beslissing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat geen verzekeringsplicht (en premieplicht) is aangenomen ten aanzien van enquêteurs die bij collega-bedrijven op dezelfde wijze werkzaam zijn als bij appellante. Gedaagde heeft gesteld dat er geen sprake is van gelijke gevallen. De Raad overweegt als volgt. Gedaagde heeft de verzekeringsplicht van enquêteurs van bedoelde collega-bedrijven, te weten NV v/h Stichting Z. (hierna: Z.) en B.V. W., in het verleden uitsluitend getoetst aan artikel 5 van de diverse sociale-werknemersverzekeringswetten. Blijkens de gedingstukken, afkomstig van gedaagde, bestond omtrent de juistheid van dit standpunt ten aanzien van de enquêteurs werkzaam bij de Z. reeds in 1984 twijfel, en stelde inspecteur Van Wijngaarden, werkzaam bij gedaagdes bedrijfsvereniging, in verband met gerezen twijfel omtrent de juistheid van het ingenomen standpunt ten aanzien van enquêteurs werkzaam bij B.V. W., in zijn rapport van 29 maart 1994 voor een nieuw onderzoek te laten verrichten. De Raad stelt vast dat gedaagde blijkens mededeling ter zitting dit onderzoek tot op heden niet heeft verricht, doch dat gedaagde, op basis van een tamelijk beperkt onderzoek bij appellante, wel verzekeringsplicht ten aanzien van de bij haar werkzame enquêteurs heeft aangenomen, en wel op basis van artikel 3 van de diverse sociale-werknemersverzekeringswetten. Gezien de thans ter beschikking staande gegevens is de Raad van oordeel dat de aard en de wijze van de bedrijfsvoering van de Z. en B.V. W. enerzijds en appellante anderzijds nauwelijks van elkaar verschillen. Evenmin ziet de Raad wezenlijke verschillen in de wijze waarop de enquêteurs bij genoemde bedrijven feitelijk werkzaam zijn. Anders dan gedaagde en de rechtbank is de Raad derhalve van oordeel dat er sprake is van gelijke gevallen. Nu geen rechtvaardiging is aangevoerd voor de ongelijke behandeling, verdraagt gedaagdes besluit om ten aanzien van de bij appellante werkzame enquêteurs verzekeringsplicht vast te stellen - hoewel op zichzelf juist - zich niet met het gelijkheidsbeginsel, voorzover dat besluit de grondslag vormt voor het vaststellen van premies. De Raad stelt vast dat de eis van naleving van het gelijkheidsbeginsel in dit geval des te zwaarder weegt, omdat het gaat om bedrijven die op vergelijkbare wijze zijn georganiseerd en die op de relevante markt in een concurrerende verhouding tot elkaar staan. Met betrekking tot de grief van appellante ter zake van strijd met artikel 6 EVRM merkt de Raad het volgende op. De Raad stelt vast dat de vertraging in de behandeling van het geding in hoofdzaak is veroorzaakt door de rechtbank, die in deze zaak ruim twee jaar geen voor partijen waarneembare actie heeft ondernomen, zonder dat daarvoor een verklaring is gegeven. De Raad stelt evenwel voorts vast dat appellante heeft nagelaten, zoals van die kant ter zitting is erkend, enige aandrang bij de rechtbank uit te oefenen op spoedige verdere behandeling van het beroep. De Raad is van oordeel dat onder die omstandigheden het beroep op artikel 6 van het EVRM faalt. Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven omdat de bestreden beslissing dient te worden vernietigd wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Dat oordeel leidt er tevens toe dat gedaagde aan appellante het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden, alsmede dat er aanleiding is om gedaagde op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante. Mitsdien moet worden beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak en de bestreden beslissing; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van f 1.420,-- voor het geding in eerste aanleg en f 1.775,-- voor het geding in hoger beroep; Bepaalt dat gedaagde aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van f 1.000,-- in totaal vergoedt; Aldus gegeven door mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr L.J.A. Damen en prof. dr E.M.H. Hirsch Ballin als leden, in tegenwoordigheid van mr H.D. Wolthuis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 maart 1997. (get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers. (get.) H.D. Wolthuis. HL 403

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.