← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6843

95/4674 en 4677 AAW/WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en A., wonende te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 7 oktober 1994 heeft appellant, onder overweging dat de door gedaagde ontvangen inkomsten uit arbeid zodanig waren gestegen dat dit gevolgen had voor haar naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% berekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), onder toepassing van artikel 34 (oud) van de AAW en artikel 45 (oud) van de WAO, ingaande 1 januari 1992 een korting toegepast op gedaagdes uitkeringen krachtens die wetten, aldus dat die uitkeringen met ingang van genoemde datum niet langer tot uitbetaling kwamen. Bij besluit van 10 oktober 1994 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de AAW ingaande 1 mei 1993 ingetrokken en haar uitkering ingevolge de WAO met ingang van dezelfde datum herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Namens zowel gedaagde als haar werkgeefster X. B.V. (hierna: X. B.V.) is tegen die besluiten beroep ingesteld, waarbij tevens, met betrekking tot beide bestreden besluiten, is verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 5 juni 1995 heeft de President van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem met toepassing van artikel 8:86, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak. Daarbij is X. B.V. niet-ontvankelijk verklaard in haar beroepen, terwijl de beroepen van gedaagde gegrond werden verklaard, onder vernietiging van beide bestreden besluiten. Ten slotte werden de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Vanwege appellant is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld, in zoverre daarbij de besluiten van 7 oktober 1994 en 10 oktober 1994 zijn vernietigd. Appellant heeft desgevraagd nadere stukken ingediend. Namens gedaagde heeft mr P.H.M. Essink, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 5 november 1996 - met bijlage - heeft appellant vragen van de Raad beantwoord. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 24 januari 1997, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr L.B.F.M. Hellwig, werkzaam bij Gak Nederland B.V., terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Essink, voornoemd. II. MOTIVERING De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is gekomen. Onder de gedingstukken bevindt zich een beslissing van 14 maart 1995 van de President van de rechtbank, inhoudende dat het onderzoek met betrekking tot het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, ter zitting van 14 maart 1995 is geschorst, teneinde appellant in de gelegenheid te stellen vóór 1 mei 1995 tot een nadere standpuntbepaling te komen met betrekking tot het geschil. Vervolgens heeft de President van de rechtbank de aangevallen uitspraak gedaan, in voege als in rubriek I aangegeven. De Raad overweegt het volgende. De President van de rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid van de Awb - welk artikel ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 8:83 van de Awb van overeenkomstige toepassing is in procedures inzake voorlopige voorzieningen - het onderzoek geschorst. Ingevolge artikel 8:64, derde lid van de Awb wordt na een schorsing een zaak op een nadere zitting hervat in de stand waarin zij zich bevond. Ingevolge artikel 8:64, vijfde lid van de Awb kan de rechtbank bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft. Voorwaarde voor de uitoefening van die bevoegdheid is dat partijen hiervoor toestemming hebben gegeven. Van een dergelijke toestemming is in het onderhavige geval niet gebleken. De President van de rechtbank heeft dusdoende de aangevallen uitspraak gedaan in strijd met artikel 8:64 van de Awb, in verband waarmee die uitspraak, in zoverre in hoger beroep aangevochten, niet in stand kan blijven. De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of de zaak al dan niet moet worden teruggewezen naar de rechtbank te Arnhem. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, nu nader onderzoek in de zaak niet noodzakelijk is en van de zijde van gedaagde om een dergelijke terugwijzing niet is verzocht. Alvorens toe te komen aan een beoordeling van de partijen verdeeld houdende geschilpunten, overweegt de Raad voorts nog het volgende. Bij het namens gedaagde ingediende verweerschrift is onder meer, onder de noemer van incidenteel appel, naar voren gebracht dat de President van de rechtbank X. B.V. ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de namens haar ingestelde beroepen. Ter zitting heeft gedaagdes gemachtigde verklaard dat hij ook als gemachtigde van X. B.V. optreedt, en dat genoemd incidenteel appel, anders dan uit het verweerschrift blijkt, geacht moet worden namens X. B.V. naar voren te zijn gebracht. De Raad stelt vast dat namens X. B.V. geen hoger beroep is ingesteld tegen het betreffende onderdeel van de uitspraak waarbij X. B.V. in de namens haar ingestelde beroepen niet ontvankelijk is verklaard. Nu de Awb niet voorziet in de mogelijkheid van incidenteel appel als voorgestaan door voornoemde gemachtigde, komt de Raad aan een bespreking van die grief niet toe. Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of appellants besluiten van 7 oktober 1994 en 10 oktober 1994 in rechte stand kunnen houden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt. Blijkens de ter beschikking staande gegevens is gedaagde op 15 februari 1982 bij X. B.V. in dienst getreden als administratief medewerkster. Op 18 september 1986 viel zij uit wegens pijnklachten aan nek en linker bovenarm. Met ingang van 6 oktober 1986 hervatte zij haar werkzaamheden voor halve dagen. Nadat zij over de daarvoor geldende maximum termijn een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) had ontvangen, werd gedaagde met ingang van 19 september 1987 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Naar aanleiding van een door gedaagde op 7 juni 1990 ingevuld inlichtingenformulier AAW/WAO werd door de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) een onderzoek ingesteld. Hieruit kwam naar voren dat gedaagde bij haar werkgeefster met ingang van 1 januari 1990 werkzaamheden als directie-secretaresse had aanvaard, in verband waarmee haar salaris ingaande die datum was verhoogd van f 1.842,10 naar f 2.292,10 per maand. Aangezien gedaagde onverminderd voor maximaal halve dagen belastbaar werd geacht, werd de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55% ongewijzigd gehandhaafd. Nadat uit een zogeheten informatieformulier bij samenloop AAW/WAO-ZW d.d. 18 februari 1993 was gebleken dat gedaagdes verdiensten f 5.460,- per maand bedroegen, werd wederom een GMD-onderzoek ingesteld, waaruit naar voren kwam dat gedaagde inmiddels - vanaf 1 januari 1992 - gedurende 3 tot 6 uur per dag werkzaam was als hoofd staf, een coördinerende/leidinggevende functie. Haar salaris was in verband hiermee in 1992 vastgesteld op f 4.750,- per maand, en in 1993 op f 5.460,- per maand. Conform GMD-advies heeft appellant bij besluit van 10 mei 1993 ingaande 1 januari 1992 de uitbetaling van gedaagdes uitkeringen onder toepassing van artikel 34 (oud) van de AAW en artikel 45 (oud) van de WAO op nihil gesteld, alsmede, bij besluit van 11 mei 1993, gedaagdes uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 1 mei 1993 ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder bedroeg dan 15%. Bij uitspraak van 24 maart 1994 heeft de rechtbank te Arnhem de tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, en die besluiten vernietigd. Daarbij overwoog de rechtbank het voorshands niet aannemelijk te achten dat de bedragen die gedaagde sedert 1 januari 1992 van haar werkgeefster ontving - zij kreeg, ondanks dat zij minder uren werkte, dezelfde beloning als de overige leden van het managementteam waarvan zij deel uitmaakte - in hun geheel kunnen worden beschouwd als contra-prestatie voor de door haar verrichte arbeid, en dat de veronderstelling is gewettigd dat de werkgeefster - uit sociale overwegingen - gedaagdes uitkeringen en loon heeft willen aanvullen tot het salarisniveau van voltijds werkend lid van het managementteam. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant, in het kader van een - eventuele - nadere beoordeling van gedaagdes aanspraken per 1 januari 1992, de vraag zal dienen te beantwoorden of zich in het geval van gedaagde de situatie voordoet dat de door haar tot 1 januari 1992 vervulde functie sedertdien een zodanige ontwikkeling heeft doorgemaakt, dat uit dien hoofde dient te worden gesproken van een ontwikkeling van de maatvrouw. Appellant heeft in die uitspraak berust en heeft de GMD verzocht nader van advies te dienen. De arbeidsdeskundige E.C.C. Blankesteijn is vervolgens, als aangegeven in het door hem opgestelde rapport van 7 september 1994, ervan uitgegaan dat de helft van het door gedaagde in 1992 en 1993 ontvangen salaris, derhalve respectievelijk bedragen van f 2.375,- en f 2.730,-, als inkomen uit arbeid is te beschouwen. Voorts zag hij in de promoties van gedaagde geen aanleiding haar maatvrouw te wijzigen, zodat deze ongewijzigd diende te worden bepaald op de administratief medewerkster. Uitgaande van die maatvrouw en een resterende verdiencapaciteit van f 2.730,-, kwam hij tot het advies gedaagde ingaande 1 mei 1993 in te delen in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Appellant heeft vervolgens, in overeenstemming met de hiervoor weergegeven benadering van de GMD, bij de bestreden besluiten van 7 oktober 1994 en 10 oktober 1994 omtrent de uitbetaling van en het recht op uitkeringen van gedaagde beslist als aangegeven in rubriek I. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat het in casu in de rede ligt om aansluiting te zoeken bij de uitspraak van de Raad, gepubliceerd in RSV 1993/317, waarin de Raad een uitzondering aannam op de hoofdregel dat als maatman dient te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde vóór het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht. Aangenomen moet worden, aldus de President van de rechtbank, dat als gedaagde in verband met haar gezondheidstoestand niet 20 uur per week, maar in haar huidige functie 40 uur per week werkzaam was geweest, haar loon in de door haar thans uitgeoefende functie, evenals de aan de overige leden van het managementteam toegekende beloning, per 1 januari 1992 f 4.750,- en per 1 januari 1993 f 5.460,- per maand zou hebben bedragen, waaruit volgt dat het loon van gedaagde een ontwikkeling heeft doorgemaakt als in voormelde uitspraak van de Raad bedoeld. Aldus uitgaande van een aanzienlijk hoger maatvrouwloon in 1992 en 1993, oordeelde de President dat ingaande 1 januari 1992 geen sprake was van inkomsten die meer bedroegen dan evenredig was aan de bestaande mate van arbeidsgeschiktheid, in verband waarmee appellant ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de kortingsartikelen, alsmede dat gedaagde vanaf 1 mei 1993 ongewijzigd voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt moet worden geacht. De Raad ziet de door appellant tegen de in de aangevallen uitspraak gevolgde benadering aangevoerde grieven doel treffen. Ook naar het oordeel van de Raad kan de situatie van gedaagde niet op één lijn worden gesteld met de - specifieke - situatie zoals die zich voordeed in het door de Raad in evenvermelde uitspraak berechte geval. Naar uit de gedingstukken naar voren komt en ook van de zijde van gedaagde ter zitting van de Raad is bevestigd, heeft het bedrijf waar gedaagde sedert 1982 werkzaam is, in de loop der jaren een aanzienlijke groei doorgemaakt, in verband waarmee in 1992 behoefte bestond aan uitbreiding van het leidinggevend kader. Aangezien gedaagde in de door haar tot dat moment beklede functie van directie-secretaresse kennelijk goed voldeed, en zij naar het oordeel van de werkgever voorts beschikte over de daarvoor benodigde kwaliteiten, werd zij per 1 januari 1992 als hoofd staf opgenomen in het managementteam, met een daarbij behorende aanzienlijke salarisverhoging. Gelet op deze gang van zaken vermag de Raad, anders dan de President van de rechtbank, niet in te zien dat in het geval van gedaagde - gelijk in RSV 1993/317 - sprake zou zijn van iemand die de van meet af aan beklede eigen functie in kwalitatief opzicht heeft uitgebreid en aldus voor de werkgever meer waard is geworden. De onderhavige salarisverhoging van gedaagde per 1 januari 1992 dient beschouwd te worden als de uitkomst van een reguliere promotie per die datum naar een andere functie, in welk geval voor het aannemen van een ontwikkeling van de maatvrouw als voorgestaan in de aangevallen uitspraak geen plaats is. De Raad voegt daaraan toe dat de aanvaarding door gedaagde van de functie hoofd staf evenmin in verband kan worden gebracht met het verwerven van nieuwe bekwaamheden als bedoeld in artikel 12, lid 2 van de AAW en artikel 21, lid 2 (oud) van de WAO, zodat ook die - namens gedaagde bepleite - weg niet kan leiden tot het door gedaagde voorgestane resultaat. Ten slotte kan op de hiervoor met betrekking tot de (het) in aanmerking te nemen maatman(inkomen) weergegeven hoofdregel ook geen uitzondering worden aanvaard op grond van de zienswijze dat reeds ten tijde van het intreden van gedaagdes arbeidsongeschiktheid in 1986 met een redelijke mate van zekerheid kon worden aangenomen dat haar inkomen deze ontwikkeling zou hebben doorgemaakt als zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, daar de voorliggende gegevens geen enkel aanknopingspunt voor een dergelijke aanname bieden. Hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen in het kader van gedaagdes promotie van directie-secretaresse tot hoofd-staf in 1992, geldt in gelijke mate voor haar promotie in 1990 van administratief medewerkster tot directie-secretaresse. De Raad komt aldus tot de slotsom dat de arbeidsdeskundige van de GMD en - in navolging van deze - appellant de voor gedaagde in acht te nemen maatvrouw terecht heeft bepaald op de door haar voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid uitgeoefende functie van administratief medewerkster. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad gedaagde niet kan volgen in haar opvatting dat het onderzoek door de GMD en appellant naar de in casu in acht te nemen maatvrouwfunctie onvoldoende (zorgvuldig) is geweest en de beschikbare arbeidskundige gegevens, in het bijzonder in verband met het ontbreken van een nader onderzoek ter plaatse bij X. B.V., geen basis konden vormen voor een verantwoorde oordeelsvorming ter zake. Het bovenstaande kan evenwel niet leiden tot een bevestigende beantwoording van de hiervoor geformuleerde rechtsvraag. De Raad merkt hierbij op dat de gedingstukken uitwijzen dat appellant het op de data in geding, respectievelijk 1 januari 1992 en 1 mei 1993, in acht te nemen maatvrouw-loon heeft bepaald door middel van indexering van het voor gedaagde vastgestelde dagloon, hetgeen, naar van de zijde van appellant ter zitting van de Raad werd bevestigd, niet als de juiste methode kan worden aangemerkt. Appellant had bij X. B.V. dienen na te gaan wat een administratief medewerkster als gedaagde op genoemde data in geding aldaar verdiende en dat bedrag c.q. die bedragen tot uitgangspunt dienen te nemen bij de vaststelling van het maatvrouwloon. Al het vorenoverwogene leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, in zoverre deze in hoger beroep is aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Datzelfde lot treft de beide bestreden besluiten. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, alsmede een bedrag groot f 31,17 aan reiskosten van gedaagde. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 24 van de Beroepswet, dient het door gedaagde in eerste aanleg betaalde griffierecht door appellant te worden vergoed. De Raad beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; Vernietigt de bestreden besluiten; Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde, in eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.451,17; Verstaat dat appellant aan gedaagde het in eerste aanleg betaalde griffierecht van f 100,- vergoedt. Aldus gegeven door mr J. Janssen als voorzitter en mr H. Bolt en mr J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 1997. (get.) J. Janssen. (get.) B.C. Rog.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.