← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6848

AOW 1989/90 + AOW 1989/91 U I T S P R A A K in de gedingen tussen: de Sociale Verzekeringsbank, eiser, en [gedaagde 1] en [gedaagde 2], wonende te [woonplaats], gedaagden. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Bij beslissing van 11 maart 1987 heeft eiser aan [gedaagde 1] met ingang van 1 november 1986 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) alsmede een toeslag ingevolge die wet toegekend, beide ter hoogte van 80% van het wettelijke bedrag. Voorts heeft gedaagde bij beslissing van 23 september 1987 aan [gedaagde 2] met ingang van 1 juni 1987 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend ter hoogte van 80% van het pensioenbedrag voor een gehuwde. De toenmalige Raad van Beroep te Arnhem heeft bij uitspraak van 21 november 1989, voorzover thans nog van belang, het beroep tegen beide beslissingen gegrond verklaard, die beslissingen vernietigd en bepaald dat eiser nieuwe beslissingen zal nemen met inachtneming van de uitspraak. In hoger beroep heeft eiser op de daartoe aangevoerde gronden gevorderd die uitspraak te vernietigen en de in eerste aanleg ingestelde beroepen ongegrond te verklaren. Op verzoek van de Raad heeft [gedaagde 2] bij brief van 16 augustus 1990 inlichtingen verstrekt. Eiser heeft desverzocht bij brieven van 3 maart 1992 en 9 december 1992 een reactie gegeven op het arrest d.d. 11 juli 1991 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaken C-87, 88 en 89/90 (arrest Verholen e.a., gepubliceerd in onder meer Rechtspraak Sociale Verzekering 1991/227). Voorts heeft eiser bij brief van 24 oktober 1996, daartoe uitgenodigd, zijn zienswijze gegeven op de betekenis voor de onderhavige gedingen van het arrest d.d. 29 mei 1996 van de Hoge Raad (arrest Wessels-Bergervoet, gepubliceerd in onder meer RSV-aktueel 1996, nr 14), in relatie tot het arrest van 1 december 1993 van de Hoge Raad (arrest Schneiders-Simons, gepubliceerd in onder meer RSV 1994/127). De gedingen zijn behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 22 januari

  1. Van partijen is daar alleen eiser verschenen, vertegenwoordigd door dr G.J. Vonk en mr R.A. Zieck, beiden werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens - voor zover van belang - wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Awb. Hangende het beroep in eerste aanleg heeft eiser het nadere standpunt ingenomen dat de korting op de beide toegekende pensioenen alsmede op de toeslag, 18 in plaats van 20% dient te bedragen, aangezien [gedaagde 1] boven de reeds in aanmerking genomen tijdvakken alsnog over 300 dagen als ingevolge de AOW verzekerd diende te worden beschouwd. De Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak overwogen dat hem voorshands niet duidelijk is kunnen worden op grond van welke overwegingen slechts rekening is gehouden met de volgens eiser daarvoor in aanmerking komende perioden, en kennelijk op die grond de beslissing inzake de toekenning van een AOW-pensioen aan [gedaagde 1] vernietigd. De Raad ziet evenwel, gelet op hetgeen uit de gedingstukken blijkt omtrent de door [gedaagde 1] op aanslag betaalde AOW-premies, de stand van zijn Duitse verzekering en de uiteenzettingen op dit punt van eiser zowel bij de behandeling in eerste aanleg als in hoger beroep, geen grond voor de veronderstelling dat voor de berekening van gedaagdes pensioen meer tijdvakken in aanmerking zouden kunnen komen dan overeenkomstig eisers nadere standpunt. In zoverre kan de Raad derhalve het oordeel van de eerste rechter niet onderschrijven, zij het dat het nader door eiser ingenomen standpunt wel meebrengt dat overeenkomstig de aangevallen uitspraak de bestreden beslissingen op het punt van de toegekende pensioenbedragen en het bedrag van de toeslag niet in stand kunnen blijven. De Raad van Beroep heeft voorts geoordeeld, dat de ingevolge artikel 13 van de AOW toegepaste kortingen op de toeslag als neergelegd in de beslissing van 11 maart 1987, respectievelijk op het aan [gedaagde 2] toegekende pensioen, niet verenigbaar zijn met het bepaalde in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). In verband met het op dit punt ingestelde hoger beroep overweegt de Raad het volgende. Bedoelde kortingen berusten op de grond dat [gedaagde 2] in het tijdvak gelegen tussen augustus 1972 en januari 1984 gedurende (afgerond) negen jaren niet ingevolge de AOW verzekerd is geweest. Deze uitsluiting van de verzekering berustte op de - tot 1 april 1985 geldende - bepalingen, vastgesteld krachtens onder meer artikel 6 van de AOW, op grond waarvan niet ingevolge de AOW verzekerd was de in Nederland wonende gehuwde vrouw wier - eveneens ingezeten - echtgenoot, kort gezegd, voor onder meer het wettelijk ouderdomspensioen verzekerd was ingevolge de wettelijke regeling van een andere staat dan Nederland of krachtens een overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen Nederland en één of meer andere staten niet ingevolge de volksverzekeringen verzekerd was (zie achtereenvolgens de Koninklijke Besluiten van 20 december 1956, Stb. 624, 10 juli 1959, Stb. 230, 17 januari 1963, Stb. 24, 18 oktober 1968, Stb. 575 en 19 oktober 1976, Stb. 557). Aan kortingen als de onderhavige staat vanaf 23 december 1984 in de weg, blijkens het in rubriek I van deze uitspraak genoemde arrest van het Hof van Justitie van de EG en 's Raads uitspraak d.d. 26 november 1993 in de zaak AOW 1991/75, gepubliceerd in RSV 1994/125, het bepaalde in artikel 4, lid 1, van de richtlijn 79/7/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen. Voor de toepasselijkheid van dit verbod is echter mede bepalend, of de betrokkene gerekend kan worden tot de beroepsbevolking als bedoeld in artikel 2 van voormelde richtlijn. Blijkens de beschikbare feitelijke gegevens is dit ten aanzien van gedaagde niet het geval geweest, zoals door haarzelf is bevestigd bij de in rubriek I vermelde brief van 16 augustus
  2. De juridische geldigheid van de bij de bestreden beslissingen overeenkomstig de nationaalrechtelijke bepalingen op het ouderdomspensioen en de toeslag toegepaste korting wordt derhalve niet aangetast door het bepaalde in voornoemde EG-richtlijn. Het oordeel van de Raad van Beroep dat die kortingen niet verenigbaar zijn met artikel 26 IVBPR moet afstuiten op hetgeen deze Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 november 1993 in de zaak AOW 1991/74, gepubliceerd in RSV 1994/126, te weten dat genoemde bepaling niet vermag de rechtsgeldigheid aan te tasten van een nationale regel - als artikel 13 van de AOW - waarbij de hoogte van een op een wettelijke verzekering berustende uitkering als het AOW-pensioen en de toeslag afhankelijk wordt gesteld van de mate waarin tijdvakken van verzekering zijn vervuld, en dat hieraan niet afdoet, althans voor de tijd gelegen vóór 23 december 1984, de vaststelling dat het niet vervullen van tijdvakken van verzekering was gebaseerd op een regel welke onderscheid maakte naar geslacht. Deze overwegingen zijn onverkort van toepassing in het onderhavige geding. Met betrekking tot de uitsluiting van de verzekering van [gedaagde 2] is van belang, dat de Hoge Raad in een aantal arresten d.d. 29 mei 1996 (zie Jurisprudentie Bestuursrecht 1996, 185, RSV-aktueel 1996, nr 14 en NJ 1996, 556) in beroep in cassatie, gericht tegen uitspraken van deze Raad overeenkomstig de zojuist vermelde van 26 november 1993, heeft geoordeeld dat die uitsluiting, welke ten grondslag ligt aan de kortingen op het pensioen en de toeslag, niet aantastbaar is met een beroep op artikel 26 IVBPR, artikel 1 van de Grondwet van 1983 of het tot de algemene rechtsbeginselen behorende gelijkheidsbeginsel; de Hoge Raad overwoog in dat verband het volgende: "In zoverre het middel, ervan uitgaande dat de onderhavige uitsluiting van verzekering een ingevolge artikel 26 IVBPR verboden onderscheid naar geslacht inhoudt, betoogt dat de Centrale Raad ten onrechte niet heeft onderzocht of voor dat onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestond, faalt het, aangezien de Centrale Raad reeds hierom terecht heeft geoordeeld dat Wessels voor wat betreft de onderhavige tijdvakken geen beroep kon doen op het bepaalde in artikel 26 IVBPR, omdat dat verdrag immers eerst op 11 maart 1979 in werking is getreden. Het middel strekt voorts ten betoge dat de Centrale Raad het ten aanzien van de gehuwde vrouw bepaalde in artikel 2 van de hiervóór in 5.1.2 genoemde besluiten ten onrechte niet buiten toepassing heeft gelaten wegens strijd met het in artikel 1 van de Grondwet neergelegde verbod op discriminatie naar geslacht, dan wel wegens schending van algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, waarvan de Hoge Raad in zijn arrest van 1 december 1993, BNB 1994/64, RSV 1994/127 heeft geoordeeld, dat het reeds geruime tijd vóór de inwerkingtreding van artikel 1 van de Grondwet (17 februari 1983) behoorde tot de ongeschreven beginselen van het Nederlandse recht en in bedoeld Grondwetsartikel slechts nader vorm heeft gekregen. Dit betoog kan evenmin tot cassatie leiden. Voor wat betreft het beroep op artikel 1 van de Grondwet faalt het reeds hierom, omdat de onderhavige tijdvakken zijn gelegen vóór de datum van inwerkingtreding van dit artikel. Voor wat betreft het beroep op schending van algemene rechtsbeginselen, faalt het eveneens. Blijkens de Nota van Toelichting op het hiervóór in 5.1.
  3. als eerste vermelde besluit (lees: het Koninklijk Besluit van 20 december 1956, Stb.624), was de uitsluiting immers erop gericht een ongerechtvaardigd geachte cumulatie van uitkeringen te voorkomen. In dat verband wees de besluitgever erop dat in de in het besluit bedoelde gevallen het in het buitenland door de man opgebouwde pensioen mede geacht kon worden voor zijn echtgenote bestemd te zijn. Daarbij mocht de besluitgever, gelet op de in de onderhavige tijdvakken aanwezige maatschappelijke verhoudingen, ervan uitgaan dat het in vrijwel alle gevallen de man was die de kostwinner was, zodat hij ermee kon volstaan de echtgenote uit te sluiten en niet gehouden was tevens een voorziening te treffen voor de gevallen waarin de vrouw de kostwinner was. Derhalve bestond voor het aan de uitsluiting ten grondslag liggende onderscheid naar geslacht destijds een redelijke en objectieve rechtvaardiging.". Uit de feitelijke context van de bedoelde arresten kan worden geconcludeerd, dat de door de Hoge Raad aangegeven redelijke en objectieve rechtvaardiging in ieder geval toereikend was tot augustus
  4. De Raad stelt voorts vast dat, naar thans ook door eiser wordt aanvaard, de uitsluiting van de verzekering van de gehuwde vrouw ingaande 23 december 1984 niet meer verenigbaar kan worden geacht met zowel artikel 4 van de EG-richtlijn 79/7 als met artikel 26 IVBPR, maar dat aan die bepalingen over tijdvakken gelegen vóór die datum op het onderhavige punt geen werking kan worden toegekend, gelet op artikel 8 van genoemde richtlijn, respectievelijk op de vaste rechtspraak van deze Raad ingevolge welke in het algemeen - behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen - de onverenigbaarheid met artikel 26 IVBPR van nationaalrechtelijke bepalingen niet eerder dan met ingang van 23 december 1984 kan worden ingeroepen. Gelet hierop, alsmede op de zojuist aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad met betrekking tot de rechtvaardiging van de uitsluiting van de verzekering ten aanzien van de gehuwde vrouw, ziet de Raad geen grond om voor het door de in de voorgaande overwegingen genoemde data begrensde tijdvak voor het onderhavige punt betekenis toe te kennen aan de twee overige door de Hoge Raad besproken rechtsnormen, te weten artikel 1 Grondwet en het tot de algemene rechtsbeginselen behorende gelijkheidsbeginsel. Ten aanzien van beide - zo althans aan artikel 1 Grondwet over het zojuist aangegeven tijdvak op dit punt werking kan worden toegekend - stelt de Raad zich op het standpunt dat er onvoldoende redenen zijn om aan te nemen dat de in de zienswijze van de Hoge Raad binnen het stelsel van de AOW-verzekering geldende redelijke en objectieve rechtvaardiging van de uitsluiting van de verzekering haar werking niet over het gehele bedoelde tijdvak zou hebben behouden. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van eiser doel treft in zoverre het zich richt tegen het oordeel van de Raad van Beroep dat op de toegekende toeslag en op het aan [gedaagde 2] toegekende pensioen geen korting mag worden toegepast. Gegeven echter het eerder overwogene moet de aangevallen uitspraak voorzover daarbij de in rubriek I vermelde beslissingen zijn vernietigd, worden bevestigd, zij het op ten dele gewijzigde gronden. Er zijn geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat eiser nadere beslissingen zal nemen met inachtneming van deze uitspraak. Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorziter en mr H.J. Grendel en mr F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van mr M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 maart
  5. (get.) N.J. Haverkamp. (get.) M.F. van Moorst. Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 2, 3 en 6 van die wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden. TM 214

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.