← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6958

96/5834 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en A., wonende te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Café-, Pension- en aanverwante bedrijven. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij brief van 31 augustus 1995 is gedaagde namens appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit op grond van de Ziektewet (ZW). De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij uitspraak van 17 mei 1996 voormeld besluit vernietigd en bepaald dat (thans) appellant met inachtneming van die uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan een nieuw besluit neemt. Appellant heeft tegen die uitspraak op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht zijn besluit van 31 augustus 1995 alsnog te bevestigen (bedoeld zal zijn: de aangevallen uitspraak te vernietigen en het beroep tegen dat besluit alsnog ongegrond te verklaren). Namens gedaagde heeft mr B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, bij verweerschrift van 27 november 1996 de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bekrachtigen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 mei 1997, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr P.C.M. Huijzer, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Manspeaker, voornoemd, als haar raadsman. II. MOTIVERING Gedaagde heeft zich ingaande 19 juli 1993 wegens heupklachten ziekgemeld voor haar werk als serveerster. Terzake daarvan heeft appellant haar arbeidsongeschikt geacht en tot en met 17 juli 1994, derhalve gedurende de maximumtermijn van 52 weken, ziekengeld uitgekeerd. Ingaande 8 augustus 1994 heeft gedaagde zich weer ziekgemeld. Bij het bestreden besluit heeft appellant terzake van die ziekmelding op grond van het bepaalde in artikel 29 lid 10 ZW, zoals dit artikellid luidde tussen 1 januari 1994 en 1 maart 1996, ziekengeld geweigerd. In geschil is de vraag of dit artikellid het door appellant gestelde rechtsgevolg meebrengt. De Raad overweegt als volgt. Tot 1 januari 1994 luidde - voorzover hier van belang - artikel 29 lid 2 ZW: Het ziekengeld wordt, behoudens het bepaalde in de volgende leden, uitgekeerd over iedere dag dat de ongeschiktheid tot werken duurt, doch niet over de zaterdagen en de zondagen en gedurende ten hoogste 52 weken; en artikel 29 lid 5 ZW: Voor het bepalen van de periode van 52 weken, als bedoeld in het tweede lid, worden perioden, waarover ziekengeld wordt uitgekeerd, samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen. In zijn uitspraken van 23 april 1975, gepubliceerd in RSV 1975, 375, en 18 augustus 1993, gepubliceerd in RSV 1994, 2, heeft de Raad als zijn oordeel gegeven dat voor de berekening van de periode van 52 weken als bedoeld in het tweede lid van voormeld artikel, de samentellingsregel van het vijfde lid ook toepassing vindt in het geval dat gedurende de maximum periode van 52 weken uitkering is verleend en de betrokkene binnen een maand nadien weer arbeidsongeschikt wordt; zulks ongeacht of die arbeidsongeschiktheid intreedt na werkhervatting. Artikel 29 lid 10 ZW luidde tussen 1 januari 1994 en 1 maart 1996, derhalve ook ten tijde van de in geding ziekmelding, als volgt: Geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 52 weken is verstreken, te rekenen vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken. Voor het bepalen van dit tijdvak worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. In de samentellingsregel als zodanig is derhalve slechts een wijziging aangebracht in dier voege dat in plaats van perioden tijdvakken en in plaats van een maand thans vier weken gelezen worden. Blijkens de wetsgeschiedenis is met die wijziging slechts beoogd aansluiting te vinden bij de terminologie van het Burgerlijk Wetboek. In de gewijzigde redactie ziet de Raad dan ook geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen dan in zijn boven vermelde uitspraken is neergelegd. Nu voorts namens gedaagde geen argumenten zijn aangevoerd ten betoge dat dat standpunt niet - langer - juist zou zijn, is de Raad ook thans diezelfde opvatting toegedaan. Uit het vorenstaande volgt tevens dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit heeft vernietigd op de grond dat appellant daarbij zou zijn uitgegaan van een onjuiste maatstaf met betrekking tot de in aanmerking te nemen arbeid en ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 29 lid 10 in plaats van aan artikel 19 ZW. Uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak vloeit immers voort dat de arbeid in concreto bij een ziekmelding terzake van een ongeschiktheid die zou zijn ingetreden binnen vier weken na het verstrijken van het tijdvak van 52 weken, niet relevant is en dat een ziekmelding binnen die vier weken reeds toepassing van artikel 29 lid 10 ZW rechtvaardigt. Naar het oordeel van de Raad berust het bestreden besluit, zodals dit nader is gemotiveerd bij verweerschrift in eerste aanleg, derhalve op een juiste grondslag. Daaruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaard. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt als hieronder is aangegeven. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaard het inleidend beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr M.A. Hoogeveen en mr Chr. van Voorst als leden, in tegenwoordigheid van F.E. Rosingh als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 juni 1997. (get.) B.J. van der Net. (get.) F.E. Rosingh.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.