O 96/1676 AW en 96/1677 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delfzijl, appellant I, en de raad van de gemeente Delfzijl, appellant II, en A., wonende te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellant I en appellant II heeft mr J.W.C. van Kleef, verbonden aan Van Kleef en Partners te Boskoop, op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Groningen op 22 december 1995 onder nr. AW 93/114 AW V08 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr I.M.A. van Strien, juridisch medewerkster van de NOVON, een verweerschrift ingediend. Namens gedaagde is nog een reactie gezonden terwijl voorts, desgevraagd, enkele stukken zijn overgelegd. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad van 6 maart 1997, waar namens appellant is verschenen mr Van Kleef, voornoemd, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Van Strien, voornoemd. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op een hoger beroep dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Nadat gedaagde jarenlang werkzaam was geweest op de afdeling (...) van de secretarie van de gemeente Delfzijl is daaraan vanaf 1986 feitelijk een einde gekomen. In verband met enkele incidenten is gedaagde geschorst geweest en is hem tot slot buitengewoon verlof verleend, gedurende welke periode met hem en zijn (toenmalige) raadsvrouw - zonder succes - onderhandelingen zijn gevoerd om te komen tot een minnelijke ontslag- en uitkeringsregeling. Na daartoe verkregen machtiging door appellant II heeft appellant I gedaagde bij besluit van 23 maart 1993 ontslag verleend met ingang van 1 mei
- In de brief (van 24 maart 1993) waarbij dit ontslagbesluit aan gedaagde is bekendgemaakt, heeft appellant I voorts bekendheid gegeven aan het door appellant II (op 26 november 1992) genomen besluit waarbij de aan gedaagde ter zake van bedoeld ontslag verleende uitkering is vastgesteld. Het ontslagbesluit is gebaseerd op artikel H 11 van het toepasselijke Algemeen Ambtenarenreglement (AAR), voor zover hier van belang luidend:
- Op voordracht van burgemeester en wethouders kan de raad bepalen dat een ambtenaar die vast is aangesteld eervol kan worden ontslagen op een bij zijn besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.
- In geval van ontslag op grond van dit artikel treft de raad, op voordracht van burgemeester en wethouders, een regeling waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke naar het oordeel van de raad, met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten. Deze uitkering zal niet minder mogen bedragen dan die welke hij krachtens de Wachtgeldverordening zou hebben genoten, indien die verordening op hem van toepassing zou zijn geweest. De door appellant II vastgestelde uitkering bedraagt blijkens de bovenbedoelde brief van appellant I 70% van de door gedaagde laatstelijk genoten bezoldiging. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het door appellant I genomen ontslagbesluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van appellant II van 26 november 1992 betreffende de ontslaguitkering gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant II met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen ter zake van de aanspraken van gedaagde op uitkering; voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Naar aanleiding van het hoger beroep van appellant I overweegt de Raad als volgt. Gedaagde heeft tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn beroep tegen het ontslagbesluit, dat zelfstandige betekenis heeft naast het besluit van gedaagde II tot vaststelling van een ontslaguitkering, ongegrond is, geen hoger beroep ingesteld. Het door appellant I genomen ontslagbesluit is daarmee in stand gebleven. De Raad ziet, mede in aanmerking nemende dat hij in het schrijven van 23 maart 1993 geen zelfstandig besluit van appellant I tot toekenning van de door appellant II vastgestelde uitkering kan ontwaren, en voor een dergelijke toekenning naast het besluit van appellant II ter zake ook geen plaats is, niet dat appellant I enig belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep. Appellant I moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Appellant I heeft tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank gegeven beslissing om geen toepassing te geven aan artikel 8:10, tweede lid, van de Awb (verwijzing naar een meervoudige kamer). Appellant I had om die toepassing verzocht "in verband met de complexiteit van de onderliggende kwestie en in belang van beide partijen". De Raad overweegt dat hij in artikel 18, derde lid, van de Beroepswet een onverbrekelijke samenhang gelegd ziet tussen een ontvankelijk hoger beroep tegen een appellabele uitspraak als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en de mogelijkheid van hoger beroep tegen een andere beslissing die de rechtbank heeft gegeven in de loop van het geding dat tot een dergelijke appellabele uitspraak heeft geleid. Het hoger beroep tegen een dergelijke andere beslissing deelt daarom naar het oordeel van de Raad het lot (van niet-ontvankelijkheid) van de niet-ontvankelijkverklaring door de Raad van het door appellant tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep. Naar aanleiding van het hoger beroep van appellant II overweegt de Raad als volgt. Hij stelt voorop dat hem van redenen waarom appellant II niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het beroep van gedaagde tegen het besluit van appellant II, niet is gebleken. Appellant II heeft tegelijkertijd met het hoger beroep tegen (dat gedeelte van) de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank gegeven beslissing om geen toepassing te geven aan artikel 8:10, tweede lid, van de Awb (verwijzing naar een meervoudige kamer). Om die toepassing is verzocht "in verband met de complexiteit van de onderliggende kwestie en in belang van beide partijen". De Raad ziet, gegeven het in artikel 8:10 van de Awb gekozen uitgangspunt van behandeling door een enkelvoudige kamer en gelet op het door appellant II aangevoerde, niet dat de beslissing van de rechtbank een schending zou inhouden van regels van geschreven of ongeschreven recht, waarvan in het bijzonder regels van een goede procesorde, of van enig algemeen rechtsbeginsel. Het hoger beroep treft in zoverre geen doel, evenmin als de namens appellant II aangevoerde grief betreffende de beweerdelijke "zekere vooringenomenheid" van de rechtbank. De Raad volstaat in dit verband met verwijzing naar de wrakingsmogelijkheid van artikel 8:15 van de Awb. Door de gemachtigde van appellant II is gesteld dat gedaagde in eerste aanleg niet, dan wel niet tijdig beroep heeft ingesteld tegen het besluit van appellant II: in haar voorlopig klaagschrift heeft de toenmalige raadsvrouw van gedaagde als bestreden besluit aangemerkt "het besluit van het college van burgemeester & wethouders der gemeente Delfzijl d.d. 24 maart 1993". De Raad verwerpt deze stelling. Zo al moet worden aangenomen dat het voorlopig klaagschrift mogelijk aanleiding tot enige twijfel zou kunnen geven, moet worden gesteld dat dit in de hand is gewerkt doordat appellant I in één brief (van 24 maart 1993) mededeling heeft gedaan van zijn besluit (van 23 maart 1993) tot ontslag en van het besluit van appellant II (van 26 november 1992) tot vaststelling van een ontslaguitkering. Nu voorts reeds in dat klaagschrift beroep is ingesteld tegen het besluit dat door bedoelde raadsvrouw niet alleen wordt omschreven als ontslagbesluit maar ook als besluit inhoudende de vaststelling van een uitkering, is de Raad van oordeel dat de rechtbank terecht dit beroep (ook) tegen het besluit van appellant II gericht, en ontvankelijk, heeft geacht. Appellant II kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de vastgestelde uitkering niet voldoet aan het in het tweede lid van artikel H 11 van het AAR vervatte voorschrift dat deze uitkering niet minder zal mogen bedragen dan die welke de gewezen ambtenaar krachtens de Wachtgeldverordening zou hebben genoten, indien die verordening op hem van toepassing zou zijn geweest. Appellant II heeft doen aanvoeren dat niet slechts het toekennen gedurende de gehele voorziene uitkeringsperiode van een uitkering van 70% van de laatstelijk genoten bezoldiging in beeld moet worden gebracht, maar dat in redelijkheid andere van belang zijnde elementen in beschouwing moeten worden genomen en tegen elkaar moeten worden afgewogen, zoals aan de ene kant het achterwege blijven van een sollicitatieverplichting, het ongekort mogen bijverdienen en het achterwege blijven van de verplichting passend werk te aanvaarden, en aan de andere kant het niet toekennen van de zogenaamde afbouwregeling van de (in de eerste jaren hogere) uitkeringspercentages en het niet welvaartsvast zijn van die uitkering. De Raad acht dit standpunt van appellant II in een geval als het onderhavige waarin tussen de betrokken partijen geen overeenstemming bestaat over de uitkeringsregeling, niet juist. Op grond van meergenoemd artikel H 11 van het AAR moet de ontslagen ambtenaar ten minste in de (uitkerings-)positie worden gebracht waarin hij zou zijn gekomen indien toepassing gegeven had moeten worden aan de Wachtgeldverordening, waarbij onder die positie mede begrepen moeten worden de door de Wachtgeldverordening aan het genot van die uitkering verbonden andere rechten en verplichtingen. In het onderhavige geval voldoet de uitkering reeds niet aan de minimum norm, omdat de uitkering in de eerste uitkeringsmaand in plaats van 93% - bij toepasselijkheid van de Wachtgeldverordening - slechts 70% van de laatste bezoldiging bedraagt. De aangevallen uitspraak komt in zoverre derhalve voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding appellanten te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, welke zijn begroot op f 1.420,- aan kosten van verleende rechtsbijstand en op f 72,- aan reiskosten. Voorts dient van de gemeente Delfzijl een griffierecht te worden geheven van f 600,-. Op grond van het bovenstaande beslist de Raad als volgt: III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart appellant I niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep; Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; Veroordeelt appellanten in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot f 1.492,-, te betalen door de gemeente Delfzijl; Bepaalt dat van de gemeente Delfzijl een griffierecht wordt geheven van f 600,-. Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr H.A.A.G. Vermeulen en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 april
- (get.) W. van den Brink. (get.) P.H. Schippers. HD 04.04