96/8768 + 8790 AAW/WAO O. U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 14 maart 1995 heeft appellant de aan gedaagde krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 april 1995 ingetrokken op de grond dat gedaagdes arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan 25, respectievelijk 15%. Namens gedaagde heeft mr W. Zandberg, advocaat te Tilburg, tegen dat besluit beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Breda. Bij brief van 10 augustus 1995 heeft appellant een besluit van 8 augustus 1995 in het geding gebracht, waarbij hij, in verband met een onjuiste berekening van de zogeheten uitlooptermijn, de datum met ingang waarvan gedaagdes uitkeringen krachtens de AAW en de WAO zijn ingetrokken heeft gewijzigd van 17 april 1995 in 6 mei
- Appellant heeft de rechtbank verzocht het besluit van 8 augustus 1995 onder toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in haar oordeel te betrekken. Bij uitspraak van 12 augustus 1996 heeft de rechtbank het namens gedaagde ingestelde beroep gegrond verklaard en de besluiten van 14 maart 1995 en 8 augustus 1995 vernietigd. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij brief van 4 april 1997 heeft mr Zandberg, voornoemd, namens gedaagde van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 april 1997, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., en waar gedaagde, zoals vooraf was bericht, niet is verschenen. II. MOTIVERING Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is beslist dat het besluit van 8 augustus 1995 niet in rechte stand kan houden. Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat laatstgenoemd besluit onvoldoende is gemotiveerd en deswege dient te worden vernietigd. Voorts heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dat besluit, nu de verzekeringsarts -alvorens tot vaststelling van gedaagdes belastbaarheid voor arbeid over te gaan- geen nadere, actuele medische informatie heeft ingewonnen bij de behandelend sector of de huisarts, in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, wel op een deugdelijke arbeidskundige grondslag is gebaseerd. Gedaagde heeft zich, blijkens bovengenoemd schrijven van 4 april 1997 van haar gemachtigde, gesteld achter de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Voor de Raad ligt derhalve ter beantwoording de vraag voor of het besluit van 8 augustus 1995, waarbij appellant de aan gedaagde toegekende uitkeringen krachtens de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidson-geschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 mei 1995 heeft ingetrokken, in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank heeft gedaan bij de aangevallen uitspraak, bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt. Het motiveringsvereiste. De rechtbank heeft, naar aanleiding van hetgeen daaromtrent namens gedaagde is gesteld, in de eerste plaats overwogen dat het bestreden besluit, gelet op de eis dat een beschikking een deugdelijke, begrijpelijke en inzichtelijke motivering bevat, lijdt aan een motiveringsgebrek en derhalve dient te worden vernietigd. De Raad verstaat deze overweging aldus dat de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4:17, eerste lid, van de Awb en derhalve niet in stand kan blijven. De Raad overweegt dienaangaande als volgt. Met de in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb neergelegde eis, dat de motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van de beschikking, wordt naar het oordeel van de Raad beoogd dat kenbaar en inzichtelijk wordt gemaakt op welke feitelijke en juridische grondslag die beschikking is gebaseerd. Uit deze bepaling vloeit voort dat de motivering van een beschikking op schrift dient te zijn gesteld. Ter motivering van een besluit als het onderhavige kan derhalve niet worden volstaan met een verwijzing naar hetgeen in de gesprekken van de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige met betrokkene aan de orde is geweest. Voorts geldt dat de vraag of de motivering van een beschikking voldoet aan de te stellen eisen van kenbaarheid en inzichtelijkheid slechts kan worden beantwoord in relatie tot de concrete inhoud en complexiteit van de betreffende beschikking. Zo is met betrekking tot een beschikking, waarbij uitkeringen krachtens de AAW en de WAO worden ingetrokken op de grond dat betrokkene wordt geacht geen medische beperkingen meer te kennen, eerder voldaan aan de eisen ter zake van kenbaarheid en inzichtelijkheid, dan met betrekking tot een beschikking als de onderhavige, waarbij uitkeringen krachtens de AAW en de WAO worden herzien op de grond dat betrokkene niet meer in staat wordt geacht te hervatten in het eigen werk, maar wel weer in staat wordt geacht tot het verrichten van andere, passende werkzaamheden, zodat betrokkenes verlies van verdiencapaciteit is afgenomen, dan wel niet meer (in relevante mate) aanwezig is. Daarnaast overweegt de Raad dat hij, zoals hij reeds meermalen heeft uitgesproken, aanvaardbaar acht dat ter motivering van een beschikking wordt verwezen naar schriftelijke stukken die in het kader van de voorbereiding van die beschikking zijn opgesteld, mits die stukken uiterlijk tegelijk met de beschikking ter kennis van betrokkene(n) zijn gebracht en zij in voldoende mate inzicht bieden in de feitelijke en juridische grondslag van de genomen beschikking. In dit verband is in het voorliggende geval door appellant gewezen op de zogeheten aanzegbrief, gedateerd 6 maart 1995, van de arbeidsdeskundige F. Vergunst, waarin gedaagde mededeling is gedaan van de uitkomsten van de beoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid door die arbeidsdeskundige en waarbij als bijlage waren gevoegd functie-omschrijvingen van de door die arbeidsdeskundige aan haar voorgehouden, passende functies. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit, voor zover in dat besluit en de genoemde aanzegbrief neergelegd, in onvoldoende mate inzicht biedt in de feitelijke en juridische grondslag waarop dat besluit is gebaseerd. De opvatting van appellant, dat gedaagde, gelet op haar medische beperkingen, niet in staat is te hervatten in haar eigen werk maar wel in andere, passende werkzaamheden (behorende bij de haar voorgehouden functies en zoals omschreven in bovengenoemde functiebeschrijvingen), dient naar het oordeel van de Raad met een weergave van de door appellant ten aanzien van gedaagde aangenomen medische beperkingen te worden onderbouwd. In dit verband overweegt de Raad dat in het voorliggende geval de aangenomen medische beperkingen kunnen blijken uit het ten aanzien van gedaagde opgestelde belastbaarheidspatroon. Voorts acht de Raad het van belang dat uit de motivering van een besluit als het onderhavige blijkt hoe de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend. Daartoe dienen de voorgehouden functies met de daarbij behorende verdiensten te worden vermeld en dient met behulp van het zogeheten maatmanloon en het zogeheten mediaanloon te worden aangegeven in welke mate sprake is van verlies van verdiencapaciteit. Ook op dit punt acht de Raad de motivering van het bestreden besluit onvoldoende kenbaar en inzichtelijk. Het betoog van appellant, dat in het voorliggende geval vermelding van de motivering achterwege kon blijven omdat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat aan de motivering geen behoefte bestond bij gedaagde, kan de Raad niet volgen. In dit verband ontleent hij aan de Memorie van Toelichting bij artikel 4:18 van de Awb het volgende: "Er zijn zeer veel situaties voorstelbaar waarin een (volledige) vermelding van de motivering overbodig is. Dat is het geval als geen enkele belanghebbende behoefte heeft aan vermelding van de motivering, bijvoorbeeld omdat niemand door de beschikking geschaad of belast wordt, omdat de beschikking conform de aanvraag is of omdat de beschikking reeds lang aangekondigd was, en de motivering reeds lang bekend was, zonder dat iemand bezwaar tegen de beslissing zal hebben.". En aan de Memorie van Antwoord met betrekking tot datzelfde artikel ontleent de Raad nog het volgende: "Indien iemand een beschikking aanvraagt waarbij de belangen van niemand anders zijn betrokken, en het bestuursorgaan beslist conform de aanvraag, zal er in het algemeen geen enkele behoefte bestaan aan vermelding van de motivering van de beschikking.". In het voorliggende geval doet zich naar het oordeel van de Raad geen situatie voor met het oog waarop in artikel 4:18, eerste lid, van de Awb is bepaald dat vermelding van de motivering achterwege kan blijven. Tenslotte is naar het oordeel van de Raad artikel 4:19 van de Awb in het voorliggende geval niet van toepassing, daar dit artikel ziet op de situatie dat, indien ter voorbereiding van een beschikking een advies is opgesteld, ter motivering van die beschikking kan worden verwezen naar dat advies, dan wel naar een onderdeel van dat advies. Genoemd artikel stelt daarbij als eis dat dat advies zelf de motivering dient te bevatten en ter kennis van de belanghebbenden is of wordt gebracht. De Raad stelt in dit verband vast dat de aan het in geding zijnde besluit ten grondslag liggende rapportages niet (schriftelijk) ter kennis zijn gebracht van gedaagde. Hoewel de Raad, gelet op bovenstaande overwegingen, van oordeel is dat de motivering van het bestreden besluit niet in voldoende mate kenbaar en inzichtelijk is te achten en derhalve in strijd is met artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, is hij tevens van oordeel dat het bestreden besluit, ondanks de schending van genoemd voorschrift, onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb, in stand kan worden gelaten nu dat besluit, gelet op hetgeen hierna nog wordt overwogen, overigens in rechte stand kan houden. Voor zover bij gedaagde onvoldoende duidelijkheid heeft bestaan over de feitelijke en juridische grondslag van het bestreden besluit, is de Raad van oordeel dat in de loop van de procedure voor de rechtbank voldoende duidelijkheid daaromtrent bij haar is ontstaan en zij voorts in de gelegenheid is geweest zich daaromtrent uit te laten. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat gedaagde niet wordt benadeeld door het in stand laten van dat besluit. De Raad is derhalve, anders dan de rechtbank, niet van oordeel dat het bestreden besluit, gelet op de schending van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Het hoger beroep, voor zover gericht tegen dit oordeel van de rechtbank, treft derhalve doel. De Raad ziet aanleiding om, nu moet worden geconstateerd dat is beslist in strijd met artikel 4:17 van de Awb, aan die constatering het gevolg te verbinden dat appellant wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. Het medisch aspect. Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb omdat de verzekeringsarts zijn bevindingen en conclusies uitsluitend heeft gebaseerd op eigen onderzoek en deze geen nadere, actuele medische informatie heeft ingewonnen bij de behandelend artsen of de huisarts van gedaagde, kan de Raad niet onderschrijven. Het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde vereiste dat besluiten zorgvuldig dienen te worden voorbereid brengt mee dat een medisch oordeel inzake de beperkingen gebaseerd dient te zijn op een volledig en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Het niet inwinnen van informatie bij de behandelend arts of artsen kan meebrengen dat het onderzoek niet aan deze eis voldoet. Het niet inwinnen van deze informatie brengt echter niet zonder meer in alle gevallen mee dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is. In het onderhavige geval is er naar het oordeel van de Raad geen reden om aan te nemen dat het medisch onderzoek zonder deze informatie zodanig onvolledig is geweest dat de besluitvorming niet voldoet aan het evenvermelde zorgvuldigheidsvereiste. Van belang is hierbij dat de verzekeringsgeneeskundige uitgebreid heeft gerapporteerd inzake zijn bevindingen, welke waren gebaseerd op dossierstudie en eigen onderzoek, en voorts dat uit de van de zijde van gedaagde tijdens de behandeling in eerste aanleg overgelegde medische gegevens niet is gebleken dat de behandelend specialist een van de verzekeringsgeneeskundige afwijkende mening had inzake de medische beperkingen van gedaagde. Op grond van bovenstaande overwegingen moet worden geoordeeld dat de aangevallen uitspraak, ook voor zover daarbij is overwogen dat het bestreden besluit zodanig onzorgvuldig is voorbereid dat het dient te worden vernietigd, niet in stand kan blijven. Het arbeidskundig aspect. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit een voldoende arbeidskundige grondslag mist omdat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid gebruik is gemaakt van fulltime functies, terwijl gedaagde in haar eigen maatmanfunctie slechts 20 uur per week werkzaam was. Op grond hiervan achtte de rechtbank tevens sprake van schending van artikel 4:16 van de Awb. De Raad is evenwel, gelet op de gedingstukken, van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat de door appellant ten behoeve van de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde gebruikte fulltime functies ook in parttime-vorm voorkomen, zodat het bestreden besluit, voor wat betreft het arbeidskundig aspect, op een deugdelijke grondslag berust en het hoger beroep, ook voor zover het is gericht tegen het oordeel van de rechtbank op dit punt, doel treft. Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad, nu hem ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden, van oordeel dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is vernietigd, voor vernietiging in aanmerking komt. Hij beslist derhalve als hieronder is vermeld. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op f 710,- voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist omtrent de veroordeling in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht; Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond; Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van gedaagde gevallen, ten bedrage van f 710,-. Aldus gegeven door mr A. Beuker-Tilstra als voorzitter en mr T. Hoogenboom en mr H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid van mr P.W.A. van Geloven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juni
- (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) P.W.A. van Geloven.