← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7022

95/5293 AAW/WAO 95/5294 AAW/WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: A., wonende te B., appellante, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 15 april 1994 heeft gedaagde appellante met ingang van 11 maart 1993 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Voorts heeft gedaagde bij dit besluit deze uitkeringen met ingang van 4 mei 1993 ingetrokken op de grond dat appellantes mate van arbeidsongeschiktheid per deze datum is afgenomen naar minder dan 15% (besluit I). Eveneens bij besluit van 15 april 1994 heeft gedaagde geweigerd om appellantes uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 7 mei 1993 te heropenen. Gedaagde heeft daartoe overwogen: "Uw AAW/WAO-uitkering is door ons per 4 mei 1993 ingetrokken, omdat uw arbeidsongeschiktheidspercentage afgenomen is naar minder dan 15%. U hebt zich op 7 mei 1993 opnieuw arbeidsongeschikt gemeld. Na een onderzoek door de Gemeenschappelijk Medische Dienst is gebleken dat de arbeid waarin u op 4 mei 1993 bij uw eigen werkgever bent hervat, niet passend voor u was. Door uw werkgever zijn de werkzaamheden niet verder aan uw belastbaarheid, zoals vastgesteld door de verzekeringsgeneeskundige in zijn rapportage d.d. 19 januari 1993, aan te passen. Derhalve heeft de werkgever geen passende arbeid voor u. Bij onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige van uw werkgever werden echter geen nieuwe medische feiten geconstateerd ten opzichte van de situatie op 4 mei

  1. Wij zijn derhalve van mening dat u op en na 7 mei 1993 ongewijzigd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt bent. Daarom heropenen wij de uitkering niet." (besluit II). De arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 16 juni 1995 de namens appellante tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Op de gronden, uiteengezet in een aanvullend beroepschrift van 22 november 1995, is de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen. Gedaagde heeft op 4 januari 1996 een verweerschrift ingediend, waarbij de Raad is verzocht de vordering van appellante af te wijzen en de aangevallen uitspraak te bevestigen. Bij brief van 23 december 1996 heeft gedaagde enige vragen van de fungerend president van de Raad beantwoord. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 april 1997, waar appellante - zoals aangekondigd - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door [X] , werkzaam bij Gak Nederland B.V. II. MOTIVERING Appellante heeft op 12 maart 1993 haar werkzaamheden als produktiemedewerkster bij B.V. X., vestiging Y., wegens rugklachten gestaakt. In verband daarmee heeft gedaagde appellante over de maximale periode een uitkering krachtens de Ziektewet toegekend. Gedurende deze periode heeft appellante, in overleg met de Verzekeringsgeneeskundige Dienst van haar werkgever, hervat in voor haar passend geachte werkzaamheden. In aansluiting op die periode heeft gedaagde appellante bij beslissing van 30 maart 1993 met ingang van 11 maart 1993 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij deze beslissing werden deze uitkeringen tevens ingetrokken per 4 mei
  2. Aan laatstgenoemde beslissing lag de opvatting ten grondslag dat appellante weliswaar niet meer in staat was haar werkzaamheden als produktiemedewerkster te verrichten, maar nog wel in staat was de werkzaamheden te verrichten verbonden aan acht functies, die een arbeidsdeskundige van de toenmalige Gemeenschappelijk Medische Dienst (GMD) aan haar had voorgehouden. Deze arbeidsdeskundige heeft op basis van deze functies vastgesteld dat appellante met haar beperkingen een inkomen kon verwerven dat nagenoeg gelijk was aan het inkomen dat zij in haar zogeheten maatvrouwarbeid verdiende. Op 4 mei 1993 heeft appellante bij haar werkgever hervat in passend geachte werkzaamheden. Zij heeft deze werkzaamheden op 7 mei 1993 wegens rugklachten moeten staken. De verzekeringsgeneeskundige van appellantes werkgever heeft, blijkens het rapport van een verzekeringsgeneeskundige van de GMD van 26 mei 1993, bij onderzoek geen nieuwe medische feiten geconstateerd en haar arbeidsongeschiktheid vervolgens niet geaccepteerd. Deze conclusie is, blijkens de in rubriek I vermelde brief van 23 december 1996, op 11 mei 1993 telefonisch met een verzekeringsgeneeskundige van de GMD besproken. Bij beslissing van 18 juni 1993 heeft gedaagde vervolgens geweigerd appellantes uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 7 mei 1993 te heropenen. Appellante heeft tegen gedaagdes beslissingen van 30 maart 1993 en 18 juni 1993 beroep aangetekend bij de rechtbank te Breda. Bij uitspraak van 22 december 1993 heeft deze rechtbank overwogen dat er onvoldoende grond aanwezig was om de medische grondslag van de beslissing van 30 maart 1993 niet te volgen, doch dat deze beslissing niettemin voor vernietiging in aanmerking kwam omdat gedaagde onvoldoende had gemotiveerd dat de aan appellante voorgehouden functies passend waren. In het voetspoor van deze uitspraak vernietigde de rechtbank bij uitspraak van 14 februari 1994 eveneens gedaagdes beslissing van 18 juni
  3. Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraken. Ter uitvoering van deze uitspraken heeft een verzekeringsgeneeskundige van de GMD nader gemotiveerd dat de belasting in de aan appellante voorgehouden functies in overeenstemming was met haar belastbaarheid. Vervolgens heeft gedaagde de bestreden besluiten van 15 april 1994 genomen. De rechtbank te Breda heeft de beroepen tegen deze besluiten bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar belastbaarheid niet correct is vastgesteld, dat de haar voorgehouden voorbeeldfuncties te zwaar zijn en dat zij niet gekeurd is door een onpartijdige arts. Ter zitting van de Raad heeft gedaagdes gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat de medische grondslag van besluit I niet in geding is aangezien de rechtbank te Breda bij zijn uitspraak van 22 december 1993 reeds op dit punt heeft beslist en deze uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen. In deze gedingen dienen de vragen te worden beantwoord of gedaagde appellantes uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO bij besluit I terecht met ingang van 4 mei 1993 heeft ingetrokken en of gedaagde bij besluit II terecht geweigerd heeft deze uitkeringen met ingang van 7 mei 1993 te heropenen. Aangaande besluit I overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij geen aanknopingspunten heeft gevonden om het oordeel van de rechtbank, dat gedaagde ten aanzien van appellante niet te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld, voor onjuist te houden. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen. De Raad overweegt daarbij dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar belastbaarheid door gedaagde niet juist is vastgesteld. De Raad heeft om die reden ook geen aanleiding gezien om een nader onderzoek door een deskundige te laten verrichten. De Raad zal aan het door gedaagde ter zitting van de Raad ingenomen standpunt voorbijgaan aangezien dit standpunt noch in eerste aanleg, noch bij verweerschrift naar voren is gebracht en de rechtbank zich wel over de medische grondslag van besluit I heeft uitgesproken, terwijl gedaagdes belang bij de honorering van dit standpunt gering is. De Raad wijst er daarbij op dat de medische grondslag van besluit II zonder meer wel in geding is en de in geding zijnde datum van dat besluit zeer dicht ligt bij de datum waarop besluit I betrekking heeft. De Raad kan zich voorts verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de belasting in zes van de acht aan appellante voorgehouden functies in overeenstemming moet worden geacht met haar belastbaarheid. Gedaagde heeft deze functies dan ook in aanmerking kunnen nemen bij de bepaling van appellantes resterende verdiencapaciteit. Aangezien appellante in deze functies een zodanig inkomen kan verdienen dat er ten opzichte van haar zogeheten maatvrouwinkomen sprake is van een inkomensverlies van minder dan 15%, heeft gedaagde haar uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 4 mei 1994 terecht ingetrokken. Ten aanzien van besluit II overweegt de Raad als volgt. Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan, zoals gedaagde, bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Ter zake van appellantes melding van arbeidsongeschiktheid op 7 mei 1993 heeft gedaagde zich uitsluitend verlaten op de telefonisch verstrekte informatie van de Verzekeringsgeneeskundige Dienst van appellantes werkgever en heeft de verzekeringsgeneeskundige van de GMD appellante niet zelf onderzocht. De Raad is van oordeel dat gedaagde dusdoende, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, gehandeld heeft in overeenstemming met voormelde wetsbepaling. De Raad wijst er daarbij op dat de Verzekeringsgeneeskundige Dienst uitvoerig bekend was met appellantes ziektegeval en haar beperkingen en voortdurend, vanaf juli 1992, betrokken is geweest bij de begeleiding van appellante naar een passende werkplek. Voorts is niet gebleken dat appellante met deze Dienst van mening verschilde omtrent haar (on)geschiktheid voor de laatstelijk door haar verrichte werkzaamheden en evenmin dat appellante heeft gesteld dat haar beperkingen ten tijde van haar melding op 7 mei 1993 waren toegenomen. De Raad is dan ook van oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige van de GMD, bij wie appellante uitvoerig bekend was, zich mocht baseren op de informatie die hem vanwege de Verzekeringsgeneeskundige Dienst was verstrekt en heeft kunnen oordelen dat een eigen medisch onderzoek niet nodig was om kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De Raad kan zich voorts verenigen met hetgeen de rechtbank ten aanzien van besluit II heeft overwogen. De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde bij besluit II terecht geweigerd heeft om appellantes uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO per 7 mei 1993 te heropenen. Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr C.G.L. Plomp als voorzitter en mr A. Beuker-Tilstra en mr G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr P.W.A. van Geloven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei
  4. (get.) C.G.L. Plomp. (get.) P.W.A. van Geloven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.