← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7043

96/2809 AW O U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Korpsbeheerder van de politieregio Zuid-Holland-Zuid, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht op 9 februari 1996 onder nr. AWB 94/1343 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van appellant heeft bij diverse brieven nadere stukken aan de Raad doen toekomen. Het geding is behandeld ter zitting van 10 april 1997, waar appellant is verschenen bij gemachtigde T.H. ten Wolde, medewerkster individuele belangenbehartiging bij de Algemene Christelijke Politiebond CNV. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door E.A.C. Sankalla, werkzaam bij de politieregio Zuid-Holland-Zuid. II. MOTIVERING Appellant is in 1972 in dienst getreden bij de voormalige meldkamer van de Rijkspolitie district [district]; na een heupoperatie in 1988 is hij in 1989 gedeeltelijk afgekeurd en nadien voor 50% blijven werken. Vanaf begin 80-er jaren heeft bij appellant een drankprobleem gespeeld; vaak ging het lange tijd goed, waarna een terugval plaatsvond. Van omstreeks eind 1988 tot 1993 had appellant het alcoholprobleem in de werksituatie onder controle. Op 13 november 1993 is geconstateerd dat appellant onder invloed van alcohol was tijdens zijn dienstverrichting. Bij brief van 4 maart 1994 heeft appellant terzake een waarschuwing gehad van de korpschef. Op 19 maart 1994 heeft appellant zich ziek gemeld, waarbij bleek dat dit te wijten was aan overmatig alcoholgebruik. Dit heeft geleid tot gedaagdes besluit van 14 april 1994, waarbij appellant schuldig is bevonden aan ernstig plichtsverzuim en hem met toepassing van artikel 77, eerste lid, onder i, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de straf van ontslag uit zijn functie van medewerker meldkamer is opgelegd. Daarbij is bepaald dat die straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien appellant zich tot 1 mei 1996 niet schuldig zou maken aan soortgelijk plichtsverzuim, noch aan enig ander plichtsverzuim. Het besluit van 14 april 1994 is door de chef van de meldkamer op 20 april 1994 om 23.00 uur tijdens appellants dienst op de meldkamer aan appellant uitgereikt. Aansluitend aan die uitreiking is door de chef geconstateerd dat appellant onder invloed van alcohol verkeerde. Bij besluit van 1 juli 1994 heeft gedaagde geconstateerd dat appellant zich op 20 april 1994 opnieuw schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en meegedeeld appellant "te straffen met ongevraagd ontslag uit zijn functie van medewerker meldkamer van politie Zuid-Holland-Zuid, per 14 april 1994, zulks met tenuitvoerlegging per 1 juli 1994". Bij beslissing op bezwaar van 16 september 1994 is - met dezelfde bewoordingen als hiervoor weergegeven - het besluit van 1 juli 1994 gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep ongegrond verklaard. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in het onderhavige geval sprake was van een samenloop van omstandigheden: het tijdens de avonddienst op 20 april 1994 uitreiken van het besluit van 14 april 1994, waarbij appellant de straf van voorwaardelijk ontslag werd opgelegd, en de constatering tijdens diezelfde avonddienst van nieuw plichtsverzuim, te weten het onder invloed van alcohol dienst verrichten. De gemachtigde van gedaagde heeft - desgevraagd - ter zitting verklaard dat met gedaagdes besluit van 16 september 1994, waarbij appellant is gestraft met ongevraagd ontslag per 14 april 1994 met tenuitvoerlegging per 1 juli 1994, zeker niet is bedoeld terzake van het op 20 april 1994 geconstateerde plichtsverzuim een nieuw besluit, inhoudende de straf van onvoorwaardelijk ontslag, te nemen. De gemachtigde heeft toegelicht dat met het besluit van 1 juli 1994 en de beslissing op bezwaar van 16 september 1994 is beoogd de in het besluit van 14 april 1994 opgelegde voorwaardelijke straf van ontslag tenuitvoer te leggen. De Raad overweegt het volgende. Zoals de Raad al eerder te kennen heeft gegeven in zijn uitspraak van 16 april 1991 (TAR 1991, 125) is de bij een voorwaardelijk strafontslag als dat van 14 april 1994 gestelde voorwaarde dat de betrokken ambtenaar zich niet schuldig zal maken aan soortgelijk of enig ander (relevant) plichtsverzuim naar haar bewoordingen, aard en strekking gericht op toekomstig handelen van die ambtenaar. Beoogd wordt dat deze, onder de dreiging van ontslag, meerbedoeld plichtsverzuim achterwege zal laten. In aanmerking genomen dat bij appellant aansluitend aan de uitreiking van het besluit van 14 april 1994 op 20 april 1994 geconstateerde invloed van alcohol tijdens werktijd het gevolg was van voordien, vóór de uitreiking van laatstbedoeld besluit, genuttigde alcolholhoudende drank, kan naar het oordeel van de Raad van het bij appellant op 20 april 1994 geconstateerd onder invloed verkeren niet worden gezegd dat sprake is van een door appellant na de bekendmaking van het besluit van 14 april 1994 gepleegd soortgelijk dan wel ander relevant plichtsverzuim als bedoeld in het besluit van 14 april 1994. Gelet op het vorenoverwogene kan naar 's Raads oordeel niet worden gezegd dat aan de voorwaarde voor het ten uitvoer leggen van het aan appellant bij besluit van 14 april 1994 opgelegde voorwaardelijk strafontslag is voldaan, zodat gedaagde niet bevoegd was om uitvoering te geven aan dat besluit. Anders dan gedaagde en de rechtbank ziet de Raad aan het voorgaande niet afdoen dat appellant reeds eerder, onder meer in hogervermelde brief van 4 maart 1994, was gewaarschuwd dat een herhaling van de constatering van een tijdens werktijd onder invloed van alcohol verkeren zou kunnen leiden tot ontslag. Nu gedaagde nadien heeft besloten tot het ter zake van geconstateerd alcoholgebruik opleggen van een voorwaardelijk strafontslag, komt aan evenbedoelde waarschuwing naar de opvatting van de Raad in casu geen afzonderlijke betekenis meer toe. Het vorenstaande houdt in dat het besluit van 16 september 1994 niet in stand kan blijven. De Raad heeft in casu tevens aanleiding gezien om het primaire besluit van 1 juli 1994 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht eveneens te vernietigen. Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de kosten van appellant, welke zijn begroot op f 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op f 1.420,- als zodanige kosten in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit; Vernietigt gedaagdes primaire besluit van 1 juli 1994; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot f 2.840,-, te betalen door de politieregio Zuid-Holland-Zuid; Bepaalt dat de politieregio Zuid-Holland-Zuid aan appellant de door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierechten van f 500,- vergoedt. Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van mr A.H. Beijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 1997. (get.) W. van den Brink. (get.) A.H. Beijer. HD 22.04

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.