← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7083

96/8988 ABW U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijkerhout, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is aan gedaagde bij besluit van 3 november 1995 met ingang van 6 september 1995 een periodieke uitkering krachtens de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) toegekend. De brief waarin dat besluit bekend is gemaakt, bevat voorts de mededeling dat de uitkering terugvorderbaar is gesteld tot een bedrag van maximaal f 4.692,

  1. Bij besluit van 27 februari 1996 heeft appellant het door gedaagde ingediende bezwaar tegen laatstvermelde mededeling ongegrond verklaard. De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij de aangevallen uitspraak van 31 juli 1996 het namens gedaagde tegen het besluit van appellant van 27 januari 1996 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat (thans) appellant een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van die uitspraak. Appellant heeft daartegen op in het (aanvullend) beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld bij de Raad. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 17 juni 1997, waar namens appellant is verschenen mr D. Witteman, werkzaam bij de gemeente Noordwijkerhout. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr D.M. van Genderen, advocaat en procureur te Utrecht. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Namens appellant is aan gedaagde bij besluit van 3 november 1995 met ingang van 6 september 1995 een RWW-uitkering toegekend. Aan de voet van dat besluit is aan gedaagde onder meer het volgende medegedeeld: "De uitkering is terugvorderbaar gesteld tot een bedrag van maximaal f 4.692,30, daar uw vermogen, gebonden in de door u bewoonde woonwagen, het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 8a van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) met dat laatstgenoemde bedrag overschrijdt.". Nadat gedaagde bezwaar had gemaakt tegen deze mededeling, is deze gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 februari
  2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 31 juli 1996 het door gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van appellant van 27 februari 1996 gegrond verklaard en hiertoe overwogen dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Appellant heeft dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. De Raad heeft in dit geding primair de -door appellant en de rechtbank onbeantwoord gelaten- vraag te onderzoeken of de in de brief van 3 november 1995 opgenomen mededeling dat de aan gedaagde toegekende uitkering tot een bedrag van f 4.692,30 terugvorderbaar is als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Voor de beantwoording van die vraag is het van belang om vast te stellen dat appellant aan zijn desbetreffende mededeling artikel 58, tweede lid, van de ABW ten grondslag heeft gelegd. Die bepaling luidt als volgt: Kosten van bijstand verleend over een periode gedurende welke middelen of aanspraken op middelen aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt, worden van de betrokkene teruggevorderd tot het bedrag waarover krachtens die middelen of aanspraken later wordt of kan worden beschikt. Voorzover die middelen overeenkomstig artikel 7 buiten beschouwing zouden zijn gelaten indien zij reeds bij de aanvang van de periode ter beschikking van de betrokkene zouden hebben gestaan, blijft terugvordering achterwege. Naar het oordeel van de Raad volgt uit deze bepaling dat het antwoord op de vraag of verleende bijstand kan worden teruggevorderd en zo ja, tot welk bedrag, wordt bepaald door de waarde van de middelen op het moment dat de betrokkene daarover daadwerkelijk beschikt of kan beschikken. Gezien het toekenningsbesluit lag dat moment nog in het verschiet voor gedaagde. Voorzover appellant beoogt met het "terugvorderbaar stellen" een verjaringstermijn te stuiten wijst de Raad erop dat blijkens artikel 61d van de ABW in de gevallen bedoeld in de artikelen 58 en 59 niet de in artikel 61d vermelde termijn geldt. Uit het vorenoverwogene volgt dat de mededeling van appellant aangaande "terugvorderbaarheid" in het besluit van 3 november 1995 naar het oordeel van de Raad dient te worden aangemerkt als een aankondiging dat de aan gedaagde te verstrekken bijstand te zijner tijd op grond van artikel 58 van de ABW van hem zal worden teruggevorderd. Die aankondiging is niet gericht op rechtsgevolg, omdat aan de vaststelling welk vermogen bij de aanvang van de bijstandsverlening ter beschikking van gedaagde stond, voor de eventuele toepassing van artikel 58 van de ABW in de toekomst geen zelfstandige betekenis toekomt. Derhalve kan deze mededeling niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en evenmin als een daarmee gelijk te stellen handeling als omschreven in artikel 34 van de ABW, waartegen ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb bezwaar, respectievelijk beroep is opengesteld. Het vorenstaande brengt met zich, dat appellant het bezwaar van gedaagde gericht tegen evengenoemde mededeling, ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Derhalve had de rechtbank het bestreden besluit op deze grond dienen te vernietigen. De aangevallen uitspraak kan echter, zij het met verbetering van de gronden, in stand blijven, voor zover daarin het inleidend beroep tegen het bestreden besluit van 27 februari 1996 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarin is bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van die uitspraak. De Raad acht voorts termen aanwezig om onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, en te bepalen dat het bezwaar van gedaagde alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard. Mede in aanmerking genomen dat appellant ten aanzien van de mededeling met betrekking tot terugvordering ten onrechte een rechtsmiddel heeft aangegeven, acht de Raad termen aanwezig appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep te veroordelen. Deze kosten zijn begroot op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand bij de Raad. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is bepaald dat appellant een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van die uitspraak; Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige; Verklaart het bezwaar van gedaagde alsnog niet-ontvankelijk; Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot f 1.420,--, te betalen door de gemeente Noordwijkerhout aan de griffier van de Raad. Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juli
  3. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) D. Nebbeling.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.