← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7131

95/9345 APPA U I T S P R A A K in het geding tussen: [Eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 23 november 1995 heeft verweerder ten aanzien van eiser een besluit genomen, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. Tegen dit besluit heeft mr M.A.J.J. Niesten, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, als gemachtigde van eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) is aangegeven waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Namens verweerder is een verweerschrift ingediend. Desgevraagd zijn vanwege verweerder aan de Raad nog enige stukken toegezonden. Het geding is, gevoegd met een drietal andere gedingen tussen partijen, behandeld ter zitting van 5 juni

  1. Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door mr M.A.J.J. Niesten voornoemd, als zijn raadsman. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr P.J. Schaap, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie te Zwolle. II. MOTIVERING De Raad wijst voor de relevante feiten en omstandigheden allereerst naar zijn uitspraak, geregistreerd onder nummer 95/7264 + 97/1571 APPA. Daaraan voegt hij ten behoeve van zijn oordeelsvorming in dit geding het volgende toe. Bij besluit d.d. 22 juni 1995 is verweerder overgegaan tot vaststelling van de aan eiser op grond van de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders der gemeente Beuningen (hierna: de Verordening) toegekende uitkering over de jaren 1991 tot en met 1993, met als resultante een tegoed van ƒ 91.426,
  2. Daarbij zijn met toepassing van artikel 5 van de Verordening tevens vastgesteld de met eisers uitkering te verrekenen inkomsten, die hij in genoemde jaren uit anderen hoofde heeft genoten. In dit verband is verweerder, op grond van een door VB accountants verricht financieel onderzoek, uitgegaan van het inkomen dat eiser genoot uit zijn dienstbetrekking als directeur van de door hem op 1 januari 1990 opgerichte en formeel sedert 27 juli 1990 bestaande besloten vennootschap (hierna: BV) onder de naam [naam adviesburo] als rechtsopvolger van de onderneming [naam onderneming]. Voorts heeft verweerder zowel het bruto bedrijfsresultaat (vóór afdracht vennootschapsbelasting) van de BV, waarvan eiser enig aandeelhouder is, volledig aan eiser toegerekend alsook de in genoemde jaren op de balans van de BV vermeld staande posten terzake pensioenvoorziening en stamrecht ten volle gerekend tot de verrekenbare inkomsten van eiser. De tegen het besluit d.d. 22 juni 1995 ingebrachte bezwaren heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. In beroep heeft eiser tegen het bestreden besluit een aantal grieven aangevoerd. In de eerste plaats kan eiser zich niet verenigen met het door verweerder ook bij het besluit d.d. 22 juni 1995 ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Verordening tot uitgangspunt genomen nader vastgestelde bedrag aan inkomsten, die eiser tijdens zijn wethouderschap genereerde uit een door hem gevoerde onderneming. De Raad stelt vast dat verweerder terzake deze inkomsten reeds heeft beslist bij zijn besluit d.d. 1 maart
  3. In zijn uitspraak 95/7264 + 97/1571 APPA heeft de Raad geoordeeld dat verweerder het tegen dat besluit namens eiser ingediende bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nu voorts het besluit d.d. 22 juni 1995 in dit onderdeel niet is aan te merken als een op rechtsgevolg gericht besluit, kan dit punt van geschil in het onderhavige geding niet aan de orde komen. Eiser heeft zich daarnaast gekeerd tegen de wijze waarop verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 5, tweede lid, van de Verordening door het bruto bedrijfsresultaat van de BV en de ten laste van die BV gebrachte posten pensioenvoorziening en stamrecht aan te merken als met de uitkering verrekenbare inkomsten. De Raad overweegt dienaangaande het volgende. Op grond van het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat verweerder zijn standpunt dat bij de toepassing van anti-cumulatievoorschriften in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van het gebruik van een rechtspersoon, mag worden uitgegaan van de bruto winst uit onderneming, heeft ontleend aan de jurisprudentie van de Raad, gepubliceerd in, onder meer, TAR 1994, nr
  4. De Raad wijst er met nadruk op dat deze jurisprudentie is toegespitst op gevallen, waarin voor het verrichten van (neven)werkzaamheden een zodanig gebruik is gemaakt van rechtspersonen dat met het oog op de toepassing van anti-cumulatie- dan wel, als in casu, kortingsvoorschriften "door de constructie heen wordt gezien". Naar in deze jurisprudentie echter primair is neergelegd vermag het gebruik van een rechtspersoon teneinde hiermee inkomsten uit arbeid te verwerven niet reeds op zichzelf beschouwd de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van oneigenlijk gebruik. Zijdens verweerder is ter zitting verklaard dat in het onderhavige geval eisers besluit om zijn bedrijfsactiviteiten onder te brengen in een BV niet reeds aanleiding is geweest om "door de constructie heen te zien". De Raad kan verweerder, ook gelet op de aard en omvang van eisers werkzaamheden, in die zienswijze volgen. Naar het oordeel van de Raad doet zich in casu evenmin het geval voor, waarin anderszins is beoogd de toepassing van anti-cumulatie- dan wel kortingsvoorschriften te ontlopen, bijvoorbeeld omdat de betrokkene vrijwillig heeft besloten om arbeid om niet of tegen een zeer geringe beloning te verrichten. De beschikbare financiële gegevens van de BV laten zien, naar ook door de vertegenwoordiger van verweerder ter zitting is erkend, dat eiser zich als directeur een salaris heeft toegekend, waarvan de omvang in een redelijke verhouding staat tot de omzet van de BV. De Raad ziet dan ook geen grond voor de aanpak van verweerder om bij de toepassing van artikel 5 van de Verordening niet de reële cijfers van de BV tot uitgangspunt te nemen. De Raad acht in dit verband het enkele argument van verweerder dat de posten pensioenvoorziening en stamrechtverplichting het bedrijfsresultaat van de BV te zeer negatief beïnvloeden, niet voldoende zwaarwegend, aangezien deze beide voorzieningen blijkens de gedingstukken geen bezwaar hebben ontmoet bij de fiscale autoriteiten. In dat verband neemt de Raad in aanmerking dat in zijn algemeenheid de zienswijze van de bevoegde fiscale autoriteiten grote betekenis dient te worden gehecht, met dien verstande dat daarvan kan worden afgeweken indien voldoende overtuigend wordt aangetoond dat de gegevens die door de fiscale autoriteiten aanvaard zijn, niet gevolgd behoren te worden. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat verweerder bij zijn besluit d.d. 22 juni 1995 tot vaststelling van eisers uitkering ingevolge de Verordening over de jaren 1991 tot en met 1993 had dienen uit te gaan van de winst van de BV minus de door de BV af te dragen vennootschapsbelasting. Dit brengt mee dat het bestreden besluit in dit onderdeel moet worden vernietigd. De Raad zal zich voorts richten op het verzoek namens eiser, strekkende tot vergoeding van renteschade op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft tegen dat verzoek geen bedenkingen ingebracht. In een aantal uitspraken van de Raad - volstaan kan worden met verwijzing naar zijn uitspraken van 1 en 8 november 1995 (JB 1995/314 en 296) - ligt besloten dat voor de vaststelling van zodanige schade zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Daarbij is in het bijzonder van belang de jurisprudentie van de burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van een door de admini-stratieve rechter vernietigd besluit. Uit die jurisprudentie blijkt dat het bestuursorgaan dat een dergelijk besluit heeft genomen - behoudens bijzondere omstandigheden - een hem toe te rekenen onrechtmatige daad heeft gepleegd, waaruit voor hem de plicht voortvloeit aan de belanghebbende de schade te vergoeden die deze als gevolg van het besluit lijdt. Blijkens hetgeen hiervoren is overwogen is in casu ten opzichte van eiser sprake van een onrechtmatig besluit van verweerder d.d. 22 juni
  5. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, rust op verweerder de plicht tot vergoeding van de door eiser dientengevolge geleden schade. De Raad acht de schade die gevormd wordt door de wettelijke rente, op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het BW toewijsbaar vanaf de datum dat verweerder aan eiser de uitkering over de jaren 1991 tot en met 1993 zou hebben betaald, indien het besluit d.d. 22 juni 1995 zou hebben geluid zoals het rechtens had behoren te luiden. Ingevolge artikel 6 van de Verordening geschiedt de betaling van een uitkering als de onderhavige in maandelijkse termijnen. De Verordening bevat echter geen voorschriften met betrekking tot de dag waarop de uitkering wordt betaald. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat bij het besluit d.d. 22 juni 1995 eisers uitkering over de jaren 1991 tot en met 1993 is vastgesteld, neemt de Raad omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing in casu tot uitgangspunt, dat het aan eiser uit dien hoofde rechtens toekomende bedrag had moeten zijn betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand waarin het besluit tot vaststelling van eisers uitkering over genoemde jaren is genomen, zodat de wettelijke rente over het bedrag dat te weinig is betaald, verschuldigd wordt op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de juiste betaling had moeten plaatsvinden. De eerste dag voor de periode waarover de rente verschuldigd is, wordt derhalve gesteld op 1 juli 1995; deze periode strekt zich vervolgens uit tot aan de dag der voldoening toe. Hierbij geldt dat de berekening van de rente dient te geschieden over het bedrag dat bruto had moeten worden nabetaald. Bij de berekening van de wettelijke rente dient voorts telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover wettelijke rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het verzoek van eiser, strekkende tot vergoeding van renteschade op grond van artikel 8:73 van de Awb, voor toewijzing in aanmerking komt. In casu brengt dit mee dat ook het besluit in primo moet worden vernietigd. De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van ƒ 1.420,-- wegens verleende rechtsbijstand. Van andere kosten, die in dit verband voor vergoeding in aanmerking komen, is de Raad niet gebleken. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het bestreden besluit en het besluit van verweerder d.d. 22 juni 1995; Bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; Veroordeelt de gemeente Beuningen tot vergoeding van de renteschade als in rubriek II van deze uitspraak is overwogen; Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van ƒ 1.420,--; Gelast dat aan eiser het griffierecht van ƒ 200,-- wordt vergoed; Wijst de gemeente Beuningen aan als de rechtspersoon die de proceskosten en het griffierecht dient te vergoeden. Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr R.C. Schoemaker en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus
  6. (get.) J.G. Treffers. (get.) J.P. Schieveen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.