← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7227

95/8665 WW U I T S P R A A K O. in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en A., wonende te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Onder dagtekening 11 mei 1993 heeft appellant aan gedaagde kennis gegeven van zijn beslissing om aan gedaagde met ingang van 16 september 1992 geen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW) toe te kennen, omdat gedaagde niet als werknemer in de zin van die wet beschouwd kan worden. De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 27 oktober 1995, beslissende op het namens gedaagde tegen die beslissing ingestelde beroep, dat beroep gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, en bepaald dat appellant binnen zes weken na verzending van die uitspraak een nieuw besluit diende te nemen met inachtneming van het in die uitspraak gestelde. Appellant is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. In een aanvullend beroepschrift d.d. 14 maart 1996 zijn de gronden voor het hoger beroep uiteengezet. Het geding is - gevoegd met het geding, bij de Raad bekend onder nummer 96/3355 WW - behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 februari 1997, waar voor appellant is verschenen mr P.J. van Ogtrop, werkzaam bij Gak Nederland B.V.. Namens gedaagde is verschenen mr R. van Rees, advocaat te Gouda. Aangezien naar het oordeel van de Raad het onderzoek niet volledig is geweest, is het onderzoek heropend. Nadien heeft de Raad, met toestemming van partijen, onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet, bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. II. MOTIVERING Appellant heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de opdracht van de rechtbank om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen inzake de rechten van gedaagde op een WW-uitkering. Daartoe heeft appellant in het aanvullend beroepschrift onder meer het volgende aangevoerd: "In het onderhavige geval betrof het geschilpunt de vraag of eiser verzekerd was voor de WW. Ondergetekende kan zich er mee verenigen dat de rechtbank zich op het standpunt stelt dat ondergetekende binnen zes weken met betrekking tot dit punt een nieuw besluit dient te nemen. Echter uit de uitspraak van de rechtbank volgt tevens dat ondergetekende binnen de genoemde termijn van zes weken een beslissing dient te nemen met betrekking tot het recht op WW-uitkering en de omvang hiervan. Naar het oordeel van ondergetekende miskent de rechtbank hiermee dat voor een dergelijk besluit het bepaalde in het Besluit beslistermijnen sociale verzekeringswetten in acht moet worden genomen. Meer specifiek toegespitst op de WW kan worden vastgesteld dat voor primaire beslissingen op grond van de WW - inclusief de beslissing inzake de verzekeringsplicht voor de WW zoals in casu aan de orde is een beslistermijn van 13 weken geldt (artikel 9, leden 1 en 2, Besluit beslistermijnen sociale verzekeringswetten). Op grond van artikel 129 WW geldt voor het nemen van een beslissing op bezwaar eveneens een termijn van 13 weken.". Verder heeft appellant in het aanvullend beroepschrift gewezen op het gestelde in de memorie van toelichting bij artikel 8:72 van de Awb, PG Awb II, p.

  1. De Raad kan het standpunt van appellant niet onderschrijven. De leden een en twee van artikel 9 van het Besluit van 28 december 1993, Stb. 779 (hierna: Besluit beslistermijnen sociale verzekeringswetten) hebben betrekking op primaire beschikkingen op aanvraag. Daarvan is in casu geen sprake. Ook overigens valt niet in te zien waarom voor het uitvoeren van de uitspraak van de rechtbank niet een snellere interne procedure zou kunnen worden gevolgd dan de standaardprocedure. In de memorie van toelichting wordt juist de noodzaak van "bijzondere voortvarendheid" benadrukt (PG Awb II, p.471). In artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb is aan de rechtbank een zelfstandige bevoegdheid verleend om het bestuursorgaan een termijn te stellen voor het nemen van een nieuw besluit. De door appellant aangehaalde passage uit de memorie van toelichting bij de Awb kan niet tot een ander oordeel leiden, nu die passage primair betrekking heeft op het vierde lid van artikel 8:72 van de Awb, en daarin ook overigens geen absolute koppeling aan het Besluit beslistermijnen sociale verzekeringswetten voorgestaan wordt. Indien de rechtbank bij het toepassen van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb geen termijn zou kunnen stellen die korter is dan de "normale" beslistermijn, zou deze bevoegdheid grotendeels van haar betekenis worden ontdaan. De Raad kan de wijze waarop de rechtbank in casu van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, niet onjuist achten. De Raad overweegt voorts - in navolging van zijn eerdere uitspraken 96/526 AAW, gepubliceerd in JB 1997/50, en 95/1248 AAW, gepubliceerd in RSV 1997/90, dat op grond van artikel 19 van de Beroepswet de werking van een uitspraak als de onderhavige wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist. Uit deze bepaling vloeit voort dat de opschortende werking zich ook uitstrekt tot de termijn die in het dictum van de aangevallen uitspraak op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb is gesteld voor het nemen van een nieuw besluit. Eventuele complicaties met betrekking tot de werking van de uitspraak van de rechtbank gedurende de termijn voor het instellen van hoger beroep dienen op het niveau van de rechtbank te worden opgelost. De Raad is echter thans, anders dan in zijn twee hiervoor genoemde uitspraken, van oordeel dat appellant wel ontvankelijk is in zijn hoger beroep, aangezien er voor appellant geen andere weg open stond dan het instellen van hoger beroep om het dictum van de aangevallen uitspraak te bestrijden. Dat het door appellant beoogde resultaat, gelet op artikel 19 van de Beroepswet, reeds bereikt wordt door het instellen van het hoger beroep, doet hier niet aan af. De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op f 710,-- voor de kosten van rechtsbijstand. Mede gelet op artikel 22, derde lid, van de Beroepswet dient als volgt te worden beslist. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 710,-- te betalen door appellants bedrijfsvereniging; Bepaalt dat van appellants bedrijfsvereniging een recht van f 630,-- wordt geheven. Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 september
  2. (get.) A.F.M. Brenninkmeijer. (get.) L.H. Vogt. EB/HL 0809

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.