← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7276

96/9243 ABW 96/9287 ABW E N K E L V O U D I G E K A M E R U I T S P R A A K in het geding tussen: [A.], wonende te [B.], appellante tevens gedaagde (hierna: A.), en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde tevens appellant (hierna: het College). I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens A. is mr R. van Asperen, advocaat te Groningen, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Groningen onder dagtekening 3 september 1996 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het College heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden eveneens tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld. Partijen hebben verweerschriften ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 1 september 1997, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Uit de gedingstukken blijkt, voor zover hier van belang, het volgende. Het College heeft vanaf 1 april 1994 de aan A. toegekende uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers niet meer uitbetaald en die uitkering vervolgens bij besluit van 9 mei 1994 met ingang van 1 april 1994 beëindigd op de grond dat A. duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-echtgenoot en hun gezamenlijke inkomsten en/of vermogen voldoende zijn om in de kosten van het bestaan te voorzien. Namens A. zijn zowel tegen het feitelijk beëindigen van haar uitkering als tegen het beëindigingsbesluit bezwaarschriften ingediend bij het College. Bij primair besluit van 26 augustus 1994 heeft het College het besluit van 9 mei 1994 als vervallen aangemerkt en aan A. meegedeeld dat haar ingaande 1 april 1994 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande is toegekend. Bij brief van 20 september 1994 heeft de gemachtigde van A. het College erop gewezen dat het besluit van 26 augustus 1994 niet als een beslissing op bezwaar is aan te merken met het verzoek haar alsnog een beslissing op bezwaar te doen toekomen, waarbij tevens wordt ingegaan op de vraag of het College bereid is alle kosten van rechtsbijstand voor zijn rekening te nemen. Vervolgens heeft gedaagde

  1. a)bij besluit van 18 oktober 1994 (hierna: besluit 1) met gegrondverklaring van de bezwaarschriften het besluit van 9 mei 1994 herroepen en bepaald dat met ingang van 1 april 1994 de bijstandsverlening aan A. wordt voortgezet naar de norm voor een alleenstaande;
  2. b)bij brief van 8 december 1994 de rechtbank de stukken doen toekomen en tevens in kennis gesteld van de volgende (hierna besluit 2 te noemen) afwijzende beslissing: "De kosten van rechtsbijstand, die zijn gemaakt tijdens de bezwaarschriftenprocedure, dienen in beginsel voor rekening van belanghebbende te blijven. De aard van de bezwaarschriftenprocedure (bestuurlijke heroverweging) brengt dit met zich mee. In het onderhavige geval achten wij geen redenen aanwezig om van dit beginsel af te wijken.". A. heeft tegen besluit 1 beroep doen instellen, voor zover in dat besluit geen standpunt is ingenomen met betrekking tot de vraag of de gemeente aansprakelijk is voor de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase en de rechtbank verzocht te bepalen dat deze kosten volledig door de gemeente dienen te worden vergoed. De rechtbank heeft besluit 2 aan de gemachtigde van A. doen toekomen met het verzoek om daarop te reageren. De gemachtigde van A. heeft aan dit verzoek voldaan en bezwaren tegen laatstgenoemd besluit kenbaar gemaakt bij brief van 15 december 1994. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voorzover daarbij geen besluit is genomen met betrekking tot het verzoek van A. haar de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase te vergoeden en, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de gemeente Groningen veroordeeld tot het betalen van de eigen bijdrage van f 110,-- ter zake van de door de Raad voor Rechtsbijstand te Leeuwarden aan A. afgegeven toevoeging van rechtsbijstand voor de bezwaarschriftenprocedures. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de gemeente Groningen het griffierecht en de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank aan A. dient te vergoeden. Het hoger beroep van A. is beperkt tot de hoogte van het bedrag dat de rechtbank heeft vastgesteld als vergoeding voor de proceskosten in de bezwaarschriftenprocedures. A. vordert vergoeding van de volledige kosten van rechtsbijstand op notabasis. Het hoger beroep van het College is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het College verplicht was om bij besluit 1 tevens te beslissen over het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedures. Daartoe is in het aanvullend beroepschrift onder meer het volgende naar voren gebracht: "Wat betreft het in de bezwaarfase gedane verzoek om schadevergoeding was er echter nog helemaal geen besluit dat kon worden heroverwogen. Wij zijn dan ook van mening dat het verzoek om schadevergoeding moet worden opgevat als een aanvraag waarop eerst een primair besluit dient te worden genomen. Daarna kan de betrokkene hierover een bezwaarschrift indienen. Het meteen meenemen van een verzoek om schadevergoeding in de bezwaarschriftenprocedure, hetgeen de bestuursrechter op pragmatische gronden voorstaat, is in strijd met het systeem van de Awb dat er van uitgaat dat na een primair besluit altijd eerst de bezwaarschriftprocedure moet worden doorlopen, alvorens een beroep op de rechtbank mogelijk is (art. 7:1 Awb). Wij hebben deze redenering (op het verzoek tot schadevergoeding in de bezwaarfase dient eerst een, van het besluit op het bezwaarschrift losstaand, primair besluit te worden genomen) kort geleden reeds aan uw Raad voorgelegd. In de uitspraak d.d. 28 mei 1996 (reg.nr. 95/6061 ABW), waarvan wij volledigheidshalve een kopje bijvoegen, redeneert uw Raad als volgt: "Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, van de Awb wordt onder het maken van bezwaar verstaan het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb dient een heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden indien het bezwaar ontvankelijk is. In casu gaat het om de namens appellant gevraagde voorziening tegen het besluit van gedaagde van 25 mei 1994, dat strekte tot beëindiging van de aan appellant toegekende ABW-uitkering. De gevraagde voorziening heeft geleid tot herroeping van dat besluit door gedaagde. Naar het oordeel van de Raad behoefde gedaagde, gelet op het vorenstaande, in het kader van de onderhavige bezwaarschriftprocedure niet tevens te beslissen over het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in die procedure. Op dat laatste verzoek is afwijzend beslist bij besluit van 6 december 1994. Gedaagde heeft na bezwaar dit besluit gehandhaafd bij besluit van 11 april 1996.". Wij hebben de hierboven geciteerde uitspraak van uw Raad reeds aangehaald in ons verweerschrift bij de Rechtbank, doch zij overwegen dienaangaande dat uw uitspraak ziet op een andere situatie. "Het betrof in dit geval een vreemdeling als bedoeld in artikel 84, vierde lid, ABW, zodat op grond van artikel 84, vijfde lid, ABW geen bezwaarfase behoefde te worden doorlopen. Naar ons oordeel is uit de bewoordingen van uw uitspraak echter duidelijk af te leiden dit hier in het algemeen wordt gesteld dat een bestuursorgaan in een bezwaarschriftprocedure niet tevens hoeft te beslissen over het verzoek om vergoeding van rechtsbijstand in die procedure.". Voorts kan ook het College zich niet verenigen met de wijze waarop de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien. De Raad onderschrijft het betoog dat het College, gegeven het voorwerp van bezwaar, niet verplicht was om in besluit 1 tevens te beslissen over het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedures. Dat betekent allereerst dat het tegen besluit 1 ingediende beroepschrift, waarin wordt gesteld dat het College daartoe wel verplicht was, ongegrond had moeten worden verklaard. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Het houdt voorts in dat, voor zover in hoger beroep namens A. om een hogere dan de door de rechtbank toegekende vergoeding is verzocht, dat hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het vorenstaande neemt niet weg dat het College besluit 2 had behoren bekend te maken op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze, met vermelding van de mogelijkheid van bezwaar, en dat, gezien het bij brief van 15 december 1994 kenbaar gemaakte bezwaar, niet aan de verplichting tot het volgen van de bezwaarschriftprocedure met betrekking tot besluit 2 voorbij kon worden gegaan. De rechtbank had, nu blijkens de inhoud van gedaagdes brief van 8 december 1994 een afzonderlijk primair besluit was genomen, toepassing moeten geven aan artikel 6:15 van de Awb. De Raad zal daarom de aan de rechtbank gerichte brief van 15 december 1994 op de voet van artikel 6:15 van de Awb alsnog doorzenden aan het College teneinde als bezwaarschrift te worden behandeld. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond; Bepaalt dat de brief van 15 december 1994 wordt doorgezonden aan het College teneinde door het College als bezwaarschrift tegen het besluit van 8 december 1994 te worden behandeld; Verklaart het namens A. ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus gegeven door mr G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 1997. (get.) G.A.J. van den Hurk. (get.) I. de Hartog. EB/AS 1310

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.