96/6900 AW en 96/6916 AW O U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [A. te B.], appellant, en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de op 20 juni 1996 onder de nrs. 93/404-G6 en 95/487-G6 door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Voorts zijn van de kant van gedaagde desgevraagd nog enkele stukken ingediend. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 23 oktober
- Aldaar is appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, in persoon verschenen, bijgestaan door mr L.J.G. Voorn, advocaat te Amsterdam, als zijn raadsman. Gedaagde heeft zich, daartoe ambtshalve opgeroepen, doen vertegenwoordigen bij gemachtigde mr J.W.M. Velthuizen, werkzaam bij de Stafafdeling Juridische Zaken van de gemeente Rotterdam. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op een hoger beroep dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht van toepassing blijft zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende. Appellant was laatstelijk werkzaam in de functie van eerste medewerker Financiële en Administratieve Zaken bij het Gemeentelijk Woningbedrijf Rotterdam (GWR). Bij een in 1990 in gang gezette reorganisatie van het GWR is appellants functie opgeheven en is aan appellant de zogenoemde C-status toegekend, hetgeen inhield dat hij met voorrang kon solliciteren naar vacatures binnen het bedrijf. Na een niet geslaagde sollicitatie naar de functie van senior medewerker administratie heeft appellant bij schrijven van 25 juli 1990 te kennen gegeven voor een plaatsing buiten het GWR of buiten de gemeente Rotterdam in aanmerking te willen komen en met het oog op deze herplaatsing is appellant aangemeld bij het projectbureau Herplaatsing. Appellant heeft zich op 7 december 1990 ziek gemeld en is op 28 juni 1993 weer arbeidsgeschikt geacht. Na zijn periode van arbeidsongeschiktheid is appellant voor de tweede keer bij het bureau Herplaatsing gemeld. Bij op bezwaar genomen besluit van 5 augustus 1993 van gedaagde is de bezoldiging van appellant ingaande 1 juli 1992 verminderd tot tachtig procent en bij besluit van 23 december 1994 heeft gedaagde onder ongegrondverklaring van door appellant ingebrachte bezwaren tegen een door de directeur van het GWR op 18 februari 1994 genomen besluit, appellant op grond van het bepaalde in artikel 89 van het Ambtenarenreglement der Gemeente Rotterdam (hierna: het Ambtenarenreglement) ontslag uit gemeentedienst verleend. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de namens appellant tegen beide besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De Raad staat nu voor beantwoording van de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. Hij overweegt met betrekking tot het besluit tot vermindering van appellants bezoldiging tot tachtig procent, het volgende. Artikel 55 van het Ambtenarenreglement bepaalt dat een ambtenaar die wegens ziekte is verhinderd zijn betrekking te vervullen over de kalendermaand waarin de verhindering is ontstaan en over de daarop volgende achttien kalendermaanden de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging geniet en daarna tachtig procent van die bezoldiging. De Raad stelt vast dat ingaande 1 juli 1992 genoemde periode van 18 maanden ten aanzien van appellant was verstreken, zodat zijn recht op bezoldiging ingevolge het bepaalde in genoemd artikel met ingang van die datum tot tachtig procent is beperkt, tenzij zich de in artikel 56, aanhef en onder b, van het Ambtenarenreglement genoemde omstandigheid voordoet dat de oorzaak van de ziekte in overwegende mate is gelegen in de aard van de werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht. Evenals de rechtbank en onder verwijzing naar hetgeen terzake in de aangevallen uitspraak is overwogen, is de Raad van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de in artikel 56, aanhef en onder b, van het Ambtenarenreglement bedoelde omstandigheid zich ten aanzien van appellant heeft voorgedaan. De van de zijde van appellant in dit verband aangevoerde omstandigheid dat in het geval van appellant sprake was van situationele arbeidsongeschiktheid, die door toedoen van de werkgever was gecreëerd, laat in de gegeven situatie toepassing van hetgeen is bepaald in artikel 55 van het Ambtenarenreglement onverlet. De aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het besluit van gedaagde van 5 augustus 1993 komt gezien het vorenstaande voor bevestiging in aanmerking. De Raad overweegt met betrekking tot het besluit van gedaagde aan appellant ontslag te verlenen wegens opheffing van zijn betrekking als bedoeld in artikel 89 van het Ambtenarenreglement het volgende. Op grond van de gedingstukken en het behandelde ter zitting is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de functie van eerste medewerker Financiële en Administratieve Zaken van het GWR in het kader van de aldaar plaats gehad hebbende reorganisatie is komen te vervallen; zulks wordt van de zijde van appellant ook niet betwist. Mitsdien komt aan gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 89, eerste lid, van het Ambtenarenreglement de bevoegdheid toe aan appellant ontslag te verlenen, welke bevoegdheid gedaagde aan de directeur GWR heeft gemandateerd. In de omstandigheid dat deze directeur in het besluit van 18 februari 1994 niet tot uitdrukking heeft gebracht dat genoemd besluit door hem in mandaat is genomen ziet de Raad geen grond tot vernietiging van het thans in geding zijnde besluit van gedaagde te besluiten, teminder nu de beslissing op het namens appellant tegen genoemd besluit ingediende bezwaar is genomen door gedaagde als mandaatgever en aldus het vorengenoemde gebrek afdoende is gecorrigeerd. Ingevolge het vierde lid van artikel 89 van het Ambtenarenreglement wordt een ontslag als in het eerste lid van genoemd artikel bedoeld in de regel eerst verleend indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de betrokken ambtenaar een andere voor hem passende betrekking op te dragen. Naar het oordeel van de Raad rust op grond van genoemd artikellid op gedaagde de verplichting om zich in te spannen voor herplaatsing van een in het kader van een reorganisatie met ontslag bedreigde ambtenaar. De toetsing van het thans voorliggende ontslagbesluit spitst zich dientengevolge toe op de vraag of de inspanningen welke gedaagde zich heeft getroost om betrokkene te herplaatsen, voldoen aan de daaraan ingevolge artikel 89, vierde lid, van het Ambtenarenreglement te stellen eisen. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe dat hoewel gedaagde in het algemeen een grote eigen verantwoordelijkheid bij het vinden van een passende betrekking legt bij de herplaatsingskandidaten zelf en appellant onmiskenbaar van een weinig aktieve en coöperatieve houding heeft blijk gegeven, gedaagde hiermee niet van de op hem ingevolge artikel 89, vierde lid, van het Ambtenarenreglement rustende verplichting is ontheven. Het is de Raad gebleken dat gedaagde appellant op de hoogte heeft gesteld van vacatures, waarvoor hij met voorrang in aanmerking zou kunnen komen en dat appellant van de zijde van gedaagde weliswaar tot tweemaal toe, te weten vóór en na zijn periode van arbeidsongeschiktheid, is aangemeld bij het bureau Herplaatsing van de gemeente, maar dat van een daadwerkelijk aanbod van een passende betrekking door gedaagde in het geheel geen sprake is geweest terwijl evenmin is gebleken dat gedaagde - met name na 28 juni 1993 - nog heeft gezocht naar mogelijke passende functies voor appellant. De Raad kan de door gedaagde ten behoeve van appellant verrichte herplaatsingsactiviteiten dan ook niet als voldoende kwalificeren. Gezien het vorenstaande kan het ontslag, zoals vervat in het besluit van 23 december 1994 niet in stand blijven. In de gegeven omstandigheden ziet de Raad voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb ook het daaraan ten grondslag liggende primaire besluit te vernietigen. Van de zijde van appellant is het verzoek gedaan de gemeente Rotterdam met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade die door appellant is geleden. Het verzoek betreffende immateriële schade is gebaseerd op door appellant ten gevolge van de onderhavige ontslagprocedure doorgemaakte spanningen en slapeloze nachten. De Raad overweegt hieromtrent dat hij, volgens vaste jurisprudentie bij een verzoek om schadevergoeding als het onderhavige aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht, in dit verband met name bij het bepaalde in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De Raad overweegt dat hem niet is gebleken van als aantasting van appellants persoon aan te merken geestelijk letsel waaraan hij aanspraak op vergoeding van immateriële schade kan ontlenen. De Raad verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995, gepubliceerd in RvdW 1995, 29c. De Raad ziet wel aanleiding gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke zijn begroot op f 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op f 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Van andere op grond van evengenoemd artikel voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken. Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat moet worden beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 23 december 1994; Verklaart het inleidende beroep gericht tegen het besluit van 23 december 1994 alsnog gegrond en vernietigt gedaagdes besluit van 23 december 1994 alsmede het daaraan ten grondslag liggende primaire besluit van 18 februari 1994; Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb af; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f 2.840,- te betalen door de gemeente Rotterdam; Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant de door hem betaalde griffierechten van f 350,- vergoedt. Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 november
- (get.) W. van den Brink. (get.) A.W.M. van Bommel. HD 10.11