96/8016 ABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft mr P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, op in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch onder dagtekening 9 juli 1996 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 18 juni 1997 heeft gedaagde zich nogmaals tot de Raad gewend. Gedaagde heeft bij brief van 10 februari 1997 desgevraagd nog enige stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 9 september 1997, waar appellante -daartoe ambtshalve opgeroepen- in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Van de Laar, voornoemd, en waar gedaagde -eveneens door de Raad opgeroepen- is verschenen bij gemachtigde J.J.M. Hendriksen, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Appellante, geboren [in] 1936, heeft op 9 december 1994 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de ABW ter aflossing van een schuldenlast. Namens gedaagde is die aanvraag bij besluit van 23 december 1994 afgewezen onder meer op grond van de overweging dat appellante bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Verder is overwogen dat er geen sprake was van zeer dringende redenen om desondanks bijstand te verlenen. Beslissende op het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 7 maart 1995 de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak van 9 juli 1996 appellantes beroep tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard. De Raad overweegt het volgende. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de ABW wordt aan iedere Nederlander, die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken, dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand verleend door burgemeester en wethouders. Artikel 1b, eerste lid, van de ABW bepaalt voorts dat degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, niet geacht wordt te verkeren in omstandigheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de ABW. Krachtens artikel 1b, tweede lid, aanhef en onder b, van de ABW verlenen burgemeester en wethouders -kort gezegd- in afwijking van het eerste lid bijstand ter voorziening in de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan indien daartoe zeer dringende redenen bestaan. De Raad stelt vast dat appellante bij het ontstaan van de schuldenlast een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers ontving naar de voor haar geldende norm. Verder stelt de Raad vast dat appellante nadien een uitkering ingevolge de sociale verzekeringswetgeving alsmede een pensioen ontving. Appellante betwist dat zij daarmee een inkomen ontving dat hoger was dan de voor haar geldende norm. Zij heeft daartoe aangevoerd dat gedaagde bij de berekening van die norm ten onrechte een woningdelersaftrek van f 187,32 heeft toegepast wegens de, onbetwiste, medebewoning van haar 22-jarige zoon. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde echter terecht gevolg gegeven aan het bepaalde in artikel 10, derde lid, aanhef en onder a van het Bijstandsbesluit landelijke normering waarin imperatief is voorgeschreven dat in een geval als het onderhavige een woningdelersaftrek moet worden toegepast ter hoogte van genoemd bedrag. De pretense omstandigheid dat appellantes zoon verslaafd is aan drugs en dientengevolge geen dan wel onvoldoende inkomsten had, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Uit het vorenstaande volgt dat appellante ten tijde als hier van belang beschikte over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en dat het bepaalde in het eerste lid van artikel 1b van de ABW aan verlening van de gevraagde bijstand in de weg staat. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de omstreeks eind december 1994 dreigende uithuiszetting wegens huurschuld dient te worden aangemerkt als zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 1b, tweede lid, aanhef en onder b, van de ABW zodat bijstandsverlening in afwijking van het eerste lid gerechtvaardigd was. Gedaagde heeft met betrekking tot die stelling aangevoerd dat bijstandsverlening bij een dreigende uithuiszetting slechts gerechtvaardigd is indien als gevolg van de uithuiszetting voor de betrokkene een levensbedreigende situatie ontstaat en dat hiervan in het onderhavige geval geen sprake was. De Raad is met gedaagde van oordeel dat de dreiging van uithuiszetting in beginsel niet kan worden aangemerkt als zeer dringende redenen als bedoeld in genoemd wettelijk voorschrift. Daarbij heeft de Raad laten wegen dat de ABW er niet toe strekt de nadelige (financiële) gevolgen van het bestaan van schulden weg te nemen. Aangezien de Raad in het onderhavige geval niet is gebleken van feiten of omstandigheden die gedaagde in afwijking van dat beginsel tot bijstandsverlening zouden nopen, komt de Raad op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat het bestreden besluit in stand moet worden gelaten. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr P.H. Hugenholtz als voorzitter en mr J.C.F. Talman en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 1997
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.