97/3184 ALGEM 97/3185 ALGEM U I T S P R A A K in de gedingen tussen: Holding X B.V., gevestigd te Y, appellante 1, en Ingenieursbureau X B.V., gevestigd te Y, appellante 2, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Namens appellanten is op bij beroepschriften van 26 maart 1997 aangevoerde gronden mr J.P. Lakeman, belastingadviseur te Leidschendam, bij de Raad in hoger beroep gekomen van een tweetal door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder dagtekening 6 februari 1997 tussen partijen gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is onder dagtekening 17 oktober 1997 van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 februari 1998, waar appellanten zich hebben doen vertegenwoordigen door mr J. Kreukniet, kantoorgenoot van mr Lakeman, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr M.E. Fortuin, werkzaam bij Gak Nederland B.V. II.MOTIVERING De Raad ontleent aan de gedingstukken de volgende gegevens van feitelijke aard. Appellante 1, hierna ook wel aangeduid als de Holding, is houdster van alle aandelen in appellante 2, hierna ook wel aangeduid als het Ingenieursbureau. De Holding exploiteert een aantal ingenieursbureau's. Ir. A (hierna: A), ir. B (hierna: B), ir. C (hierna: C) en ir. D (hierna: D) zijn directeur/grootaandeelhouder van respectievelijk Ir A B.V., E B.V., F B.V. en G B.V. als hun persoonlijke houdstervennootschappen. De Holding heeft met deze houdstervennootschappen managementovereenkomsten gesloten inzake het verrichten van directiewerkzaamheden. Oorspronkelijk hielden de vier voornoemde houdstervennootschappen elk 20% van de aandelen van de Holding. In 1991 vond -na het uittreden uit het aandeelhouderschap van een vijfde houdstervennootschap en het toetreden tot het aandeelhouderschap van twee nieuwe houdstervennootschappen, S B.V. en T B.V.,- een herverdeling plaats die ertoe leidde dat de vier houdstervennootschappen elk 22,5% van de aandelen in de Holding hielden, en de twee nieuw toegetreden houdstervennootschappen elk 5%. Het gehele aandelenkapitaal van de Holding, en middellijk ook van het Ingenieursbureau, werd toen gehouden door de zes persoonlijke houdstervennootschappen. Tot 1991 zijn ir. H (hierna: H) en ir J (hierna: J) in loondienst van het Ingenieursbureau geweest. Daarna heeft het Ingenieursbureau managementovereenkomsten gesloten met respectievelijk V B.V. en W B.V., de persoonlijke houdster- vennootschappen van H en J. Deze twee houdstervennootschappen hielden, zoals hiervoor is aangegeven, vanaf 1991 elk 5% van de aandelen in de Holding, en daarmee middellijk in het Ingenieursbureau. Op 4 januari 1993 is 70% van de aandelen van de Holding overgedragen aan W Holding B.V. (hierna: W). Elk van de zes persoonlijke managementvennootschappen hield sindsdien 5% van de aandelen van de Holding. Bij primaire besluiten van 26 januari 1995 heeft gedaagde met ingang van 1 januari 1993 verplichte verzekering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW), de Ziektewet (hierna: ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna; WAO) en eventueel de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) aangenomen, ten aanzien van de Holding voor A, respectievelijk B, C en D, en ten aanzien van het Ingenieursbureau voor H en J. Bij de bestreden besluiten op bezwaar van 19 januari 1996 zijn de tegen de primaire besluiten aangevoerde bezwaren ongegrond verklaard, en deze besluiten gehandhaafd. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten ongegrond verklaard. Naar aanleiding van hetgeen namens appellanten in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt. De Raad heeft in de afgelopen tijd een aantal uitspraken gedaan over het al dan niet bestaan van dienstbetrekkingen in constellaties waarin natuurlijke personen door tussenkomst van een houdstervennootschap waarvan zij directeur/grootaandeelhouder zijn, in verschillende vormen van samenwerking actief zijn. De Raad verwijst hier onder meer naar zijn uitspraak van 13 maart 1997, in het geding 95/1508 Algem, waarin het ging om managementovereenkomsten van een vennootschap waarbij binnen de met haar verbonden onderneming een enveloppenfabriek werd geëxploiteerd, met twee houdstervennootschappen die minderheidsaandeelhouder waren in die vennootschap, en naar de uitspraak van de Raad van 11 september 1997, in het geding 95/971 Algem, gepubliceerd in USZ 1997, 270, waarin het ging om managementovereenkomsten van een vennootschap waarbij binnen de met haar verbonden onderneming een effectenbedrijf werd geëxploiteerd, met drie houdstervennootschappen die minderheidsaandeelhouder waren in die vennootschap. Ter zitting van heden gaat het, naast de onderhavige vennootschappen, waarbij binnen de met haar verbonden ondernemingen ingenieursbureaus worden geëxploiteerd, om minderheidsaandeelhouders in vennootschappen waarbij binnen de met hen verbonden ondernemingen een architectenbureau en een projectbureau (gedingen 96/7699 en 7700 Algem), respectievelijk een accountantskantoor (geding 96/6070 Algem) worden geëxploiteerd. De beantwoording van de vraag of er in dergelijke constellaties sprake is van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de WW, ZW, WAO en Zfw tussen de vennootschap ten behoeve waarvan de werkzaamheden worden verricht, zoals in casu de Holding en het Ingenieursbureau, en de directeur/grootaandeel-houder van de houdstervennootschap, en in het bijzonder van de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, is afhankelijk van een beoordeling van alle relevante feiten en omstandigheden van het bijzondere geval. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad komt daarbij aan het bestaan van een houdstervennootschap als zodanig weinig betekenis toe, indien voldoende duidelijk is dat de directeur/grootaandeelhouder van die vennootschap geacht wordt persoonlijk arbeid te verrichten voor de vennootschap waarbij de managementtaak wordt vervuld. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 16 augustus 1995, gepubliceerd in RSV 1996, 55, en, voor de uitzondering, naar zijn uitspraak van 7 augustus 1997, gepubliceerd in USZ 1997, 248, RSV 1997/292, AB 1997, 407 en VN 6 november 1997, nr.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.