96/6246 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Kroon, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, appellante, en mr A., wonende te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden is namens appellante hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 18 juni 1996 onder nr. AWB 94/9140 AW (gepubliceerd in TAR 1996, 163) gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en van de zijde van appellante zijn nog nadere stukken aan de Raad gezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 18 december 1997, waar voor de vertegenwoordiger van appellante is opgetreden mr E.N.J. Boes-Smit, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door prof. mr P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten: Ambtenaren-wet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op het onderhavige hoger beroep, dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende: Bij koninklijk besluit van 4 september 1986 is gedaagde met ingang van de dag van beëindiging benoemd tot gerechtsauditeur bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam met een werktijd van 24 uur per week. Bij datzelfde besluit is zij met ingang van de dag van indiensttreding bij die rechtbank tevens benoemd tot rechter-plaatsvervanger. Ingaande 1 juli 1993 is gedaagde bij koninklijk besluit van 24 maart 1993 met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) eervol ontslag verleend als gerechtsauditeur bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam. Aan dat ontslag lag de overweging ten grondslag dat gedaagdes voortgezette opleiding bij voornoemde rechtbank niet had kunnen leiden tot de conclusie dat zij voor een vaste met rechtspraak belaste functie in aanmerking kon worden gebracht. De rechtbank heeft de aangevallen uitspraak, onder gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep, evenbedoeld ontslagbesluit vernietigd, zulks met bepalingen over proceskosten en griffierecht. Volgens de rechtbank ontbeerde het ontslagbesluit voldoende feitelijke grondslag. Daartoe is overwogen dat, nu uit geen enkel op gedaagdes aanstelling betrekking hebbend stuk bleek dat het om een zogenoemde opleidingsfunctie zou gaan, bij de beoordeling van het ontslagbesluit "een aanstelling in vaste dienst als gerechtsauditeur (sec)" het uitgangspunt diende te zijn en dat uit de beschikbare gegevens niet bleek dat gedaagde onbekwaam of ongeschikt was voor het vervullen van het ambt van gerechtsauditeur. De rechtbank heeft voorts als haar zienswijze te kennen gegeven dat, gelet ook op het in het ARAR neergelegde gesloten systeem van ontslaggronden, de volgens haar werkelijke reden van ontslag: "de beëindiging van de interne opleiding wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het ambt van rechter", niet aan gedaagdes ontslag ten grondslag had kunnen worden gelegd. Ook overigens achtte de rechtbank het ontslagbesluit onzorgvuldig voorbereid en genomen. Niet alleen omdat, zonder nader contact met de bedrijfsarts, was afgegaan op de door de President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam over gedaagde verstrekte informatie en diens oordeel dat gedaagde de geschiktheid en bekwaamheid miste om te kunnen worden voorgedragen voor benoeming tot rechter, maar ook omdat het haar gezien de informatie van gedaagdes behandelend internist aannemelijk voorkwam dat het functioneren van gedaagde in de opleidingsperiode van 4 november 1991 tot 3 juni 1992 door gezondheidsklachten was beïnvloed. In hoger beroep is van de zijde van appellante aangevoerd dat zij zich niet met de aangevallen uitspraak kan verenigen omdat de functie van gerechtsauditeur bij rechtbanken uitsluitend is bedoeld als een zogenoemde opleidingsfunctie en beoordeling van het functioneren in die functie plaats heeft naar de mate van geschiktheid of bekwaamheid om als rechter te kunnen functioneren. Dit brengt, naar namens appellante is gesteld, volgens vast en bestendig beleid met zich dat ten aanzien van degene, zoals in casu gedaagde, van wie wordt vastgesteld dat de geschiktheid of bekwaamheid om te kunnen worden benoemd tot rechter ontbreekt, de opleiding wordt beëindigd en ontslag uit de functie van gerechtsauditeur volgt wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Verder is naar voren gebracht dat bij de beoordeling van gedaagdes functioneren rekening is gehouden met haar gezondheidstoestand en dat een nader onderzoek naar die gezondheidstoestand in de gegeven omstandigheden niet was vereist. Van de kant van gedaagde is als haar zienswijze te kennen gegeven dat artikel 108 van de Wet op de rechterlijke organisatie de opleidingsfunctie van gerechtsauditeur niet kent en dat, voor zover de functie van gerechtsauditeur als opleidingsfunctie zou zijn bedoeld, gedaagdes aanstelling als gerechtsauditeur in vaste dienst niet mag worden beëindigd wegens het niet voldoen aan de eisen van de opleiding omdat die bedoeling het hier aan de orde zijnde wettelijke systeem van vaste aanstelling en het gesloten stelsel van ontslaggronden niet opzij kan zetten. Gedaagde is van opvatting dat de functie waarin zij tewerkgesteld was veeleer moet worden aangemerkt als een aanvangsfunctie en dat van ongeschiktheid of bekwaamheid voor het vervullen van die betrekking niet is gebleken. Zij heeft verder nog herhaald dat bij de beoordeling van haar prestaties tijdens haar opleiding tot rechter onvoldoende rekening is gehouden met haar gezondheidsklachten. De Raad overweegt het volgende: Vooropgesteld wordt dat gedaagde, gelet op het destijds van toepassing zijnde artikel 59 van de Ambtenarenwet 1929, haar beroep tegen het koninklijk besluit van 24 maart 1993 terecht heeft ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam. Nu de Raad niet is gebleken dat zich op 5 oktober 1994, de datum waarop die rechtbank gedaagdes beroep ter verdere behandeling naar de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft verwezen, een situatie voordeed die, gegeven de wettelijke voorschriften betreffende de relatieve competentie, evenbedoelde verwijzing kon rechtvaardigen, kan hij tot geen andere conclusie komen dan dat de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onbevoegdelijk heeft beslist op gedaagdes beroep tegen het ontslagbesluit van 24 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.