96/11373 MPW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Staatssecretaris van Defensie, appellant, en A te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 12 november 1996, nummer 93/1442 MPWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift, aangevuld bij schrijven d.d. 27 augustus 1997 met bijlagen, ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 29 oktober 1998, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en zijn - voorzover hier van belang - de Militaire Ambtenarenwet 1931 en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in militaire ambtenarenzaken brengt mee dat op een hoger beroep, dat is ingesteld na 31 december 1993, voorzover de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende. Bij besluit d.d. 20 april 1978 is aan gedaagde - in overeenstemming met de uitspraak van de Raad d.d. 22 maart 1977, nummer A.M.P. 1973/24 - ingaande 11 december 1969 een invaliditeitspensioen ingevolge de Pensioenwet voor de Landmacht 1922 toegekend, onder meer berekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 40%. In de loop der jaren heeft gedaagde op verschillende manieren getracht dit percentage aan te tasten, welke pogingen evenwel - naar blijkt uit in 1980, 1984 en 1987 door de Raad gegeven uitspraken - vruchteloos zijn gebleven. Laatstelijk heeft gedaagde zich in november 1988 en vervolgens in februari 1992 gewend tot appellant met verzoeken om hem een hoger invaliditeitspensioen toe te kennen, aanvoerende dat zijn invaliditeit met dienstverband een hoger percentage dan 40 beloopt. Op die verzoeken heeft gedaagde respectievelijk bij brief d.d. 4 augustus 1989, en bij brieven d.dis 16 november 1993 en 7 februari 1995 in afwijzende zin gereageerd, onder verwijzing naar de in 1977 gegeven uitspraak van de Raad. Oordelend aangaande de door gedaagde achtereenvolgens tegen de twee laatstgenoemde brieven ingestelde beroepen heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak alleen de genoemde brief van 16 november 1993 aangemerkt als een - ingevolge de Algemene militaire pensioenwet (hierna: de Wet) - voor beroep vatbaar besluit. Dit besluit heeft de rechtbank voorts vernietigd op de grond - samengevat - dat appellant ten onrechte heeft aangenomen dat het eertijds vastgestelde invaliditeitspercentage geen wijziging meer kon ondergaan en derhalve niet op deze wijze kon volstaan met verwijzing naar de eerdere uitspraak van de Raad. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant ingevolge artikel S 2 van de Wet een nieuw geneeskundig onderzoek naar de mate van gedaagdes invaliditeit, zowel naar de situatie in november 1988 als in februari 1992, had dienen in te stellen. Ten aanzien van de genoemde brief d.d. 7 februari 1995 heeft de rechtbank geoordeeld dat hierin een, nodeloze, herhaling van het reeds in de brief van 16 november 1993 vervatte besluit is opgenomen en dit besluit wegens strijd met artikel 6:18 van de Awb vernietigd. De Raad overweegt op zijn beurt het volgende. Vooropgesteld zij dat naar 's Raads oordeel de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat het schrijven van appellant d.d. 7 februari 1995 een herhaling bevat van het besluit d.d. 16 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.