97/3637-3638 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [Appellant 1], wonende te [woonplaats], en [Appellant 2], wonende de [woonplaats], appellanten, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellanten is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 26 maart 1997 onder de nrs. AWB 95/8520 AW en AWB 95/8523 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. De gedingen zijn behandeld ter zitting van 29 april 1998, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr J.P. Klüth, werkzaam bij AbvaKabo regio Zuid-Holland Noord, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr F. Ester, werkzaam bij de gemeente Den Haag. II. MOTIVERING Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende. Appellanten vervulden ten tijde hier van belang de functie van medewerker reiniging en vegen bij de Dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag. Bij besluiten van 25 juli 1995 heeft gedaagde de bezwaren van appellanten gericht tegen de besluiten van 22 mei 1995 appellanten ingaande 22 mei 1995 de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten tegen evenvermelde gehandhaafde ontslagbesluiten ongegrond verklaard. Zij was van oordeel dat voldoende vaststaat dat appellanten bouw- en sloopafval van bedrijven hadden meegenomen hetgeen volgens de instructies niet was toegestaan, en dat zij in strijd met de toepasselijke regels geld van derden hadden geaccepteerd. Dusdoende hadden gedaagden zich volgens de rechtbank schuldig gemaakt aan het hen verweten plichtsverzuim. In aanmerking genomen dat gedaagden konden en moesten weten dat dergelijke overtredingen streng zouden worden aangepakt heeft de rechtbank de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig geoordeeld. De Raad onderschrijft de beslissing van de rechtbank. Ook de Raad is van oordeel dat appellanten terecht en op goede gronden is verweten dat zij zich bij herhaling schuldig hebben gemaakt aan het in strijd met de voorschriften meenemen van bedrijfsafval, zoals bouw- en sloopafval, en dat zij van derden geld hebben aangenomen. Hij ziet evenbedoelde als plichtsverzuim aan te merken gedragingen van appellanten reeds voldoende naar voren komen in het memo van [B.] van 21 februari 1995, diens rapportage van 4 april 1995 en de door ECO partners Milieu Advies & Beheer in opdracht van gedaagde opgemaakte rapportage van 12 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.