96/7622 AW O U I T S P R A A K in het geding tussen: [A. te B.], appellante, en het dagelijks bestuur van het Centrum voor Muziek en Dans Midden-Langstraat, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Breda op 5 juli 1996 onder nr. 94/3271 AW V gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Bij brief van 24 november 1997 zijn namens gedaagde nadere stukken aan de Raad gezonden. Van de zijde van appellante zijn tevens nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 11 december 1997, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr D. Wolfs, medewerkster van de Nederlandse toonkunstenaarsbond, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr M.J.M. Schoonhoven, medewerker van het Centraal Adviesbureau voor publiek recht en administratie te 's-Hertogenbosch. II. MOTIVERING Appellante is op 1 mei 1970 als docente ballet in dienst getreden bij de Waalwijkse Muziekschool, sedert 1988 het bij een gemeenschappelijke regeling ingestelde Centrum voor Muziek en Dans Midden-Langstraat (CMD). Haar betrekking had laatstelijk een omvang van 7 uur en 30 minuten per week. Op 23 december 1993 heeft het algemeen bestuur van het CMD besloten tot een reorganisatie, zulks naar aanleiding van vermindering van de bijdragen van enkele deelnemende gemeenten (waaronder Drunen). In het kader van die reorganisatie is besloten tot opheffing met ingang van 1 januari 1994 van de door appellante gegeven cursus klassiek ballet te Drunen. Bij besluit van 24 januari 1994 is appellante met ingang van 1 mei 1994 ontslagen wegens opheffing van haar betrekking. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 juni 1994 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Door en namens appellante zijn bezwaren van formele en van inhoudelijke aard aangevoerd. Het formele bezwaar houdt in dat in strijd met de toepasselijke regelgeving geen georganiseerd overleg heeft plaatsgevonden voorafgaande aan het reorganisatieplan, dat ten grondslag ligt aan het ontslagbesluit. Inhoudelijk heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het ten onrechte niet toepassen van de voorgeschreven afvloeiingsvolgorde nu er naar haar mening geen sprake is van opheffing van haar betrekking doch van vermindering van functie-omvang. Appellante stelt dat vanwege het CMD in Waalwijk klassiek ballet wordt gegeven door een docente met een lagere anciënniteit dan appellante, zodat uren van die docente aan appellante hadden moeten worden toegewezen. De Raad overweegt allereerst dat naar zijn oordeel niet kan worden staande gehouden dat het reorganisatiebesluit tot stand is gekomen in strijd met artikel A 3 van het in 1991 vastgestelde (en van toepassing op nadien aangesteld personeel) Algemeen Reglement van Ambtenaren werkzaam bij instellingen voor Kunstzinnige Vorming (RAKV) dan wel artikel A 5 van het, ingevolge artikel II van de op appellante van toepassing gebleven Rechtspositieregeling Docenten, Consulenten en Balletbegeleiders (RDCB) met inachtneming van hetgeen overigens in die regeling is bepaald, van overeenkomstige toepassing verklaarde Algemeen Ambtenarenreglement van de gemeente Waalwijk (AAR), nu bij het CMD geen commissie voor georganiseerd overleg bestaat terwijl - naast overleg met alle personeelsleden - onder meer de Nederlandse toonkunstenaarsbond is ingeschakeld. De Raad moet thans bezien of de aan het ontslag ten grondslag gelegde opvatting van gedaagde dat aan de orde is de opheffing van appellantes betrekking en derhalve geen afvloeiingsvolgorde behoefde te worden gehanteerd in rechte stand kan houden. Ingevolge het bepaalde in artikel II en artikel III van de - op appellante van toepassing gebleven - RDCB luiden het eerste en het tweede lid van artikel H 7 van het AAR als volgt: "
- Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit eerste lid wordt eervol verleend.
- Wanneer door de afname van het aantal beschikbare klokuren les in enig vakgebied vermindering van funktieomvang noodzakelijk wordt, geschiedt dit in de volgende volgorde:....." (volgt een opsomming van categorieën in 2 onder a tot en met e, alsmede in de leden 3, 4 en 5). Gedaagde heeft betoogd dat in casu sprake is van opheffing van appellantes betrekking en niet van een afname van het aantal verminderde klokuren les omdat de afdeling Drunen van de CMD dient te worden gezien als een met een eigen taak bedeeld organisatorisch zelfstandig dienstonderdeel/dienstvak van de CMD; dat de administratie in Waalwijk wordt verzorgd doet daaraan naar het oordeel van gedaagde niet af. Voorts is gewezen op de - van het balletonderwijs in Waalwijk afwijkende - wijze waarop door appellante in Drunen volgens de zogenaamde Engelse methode werd lesgegeven, alsmede op het feit dat de docente in Waalwijk een gecombineerde functie klassiek ballet/jazzballet vervult. Ten slotte is erop gewezen dat juist bij de sector dansante vorming in Drunen het leerlingaantal aanzienlijk terugliep als gevolg van de concurrentie met het creativiteitscentrum in Drunen. De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. Het CMD is blijkens de gemeenschappelijke regeling gevestigd te Waalwijk en heeft één (algemeen en dagelijks) bestuur en één directeur. Het algemeen bestuur stelt - in overleg met de directeur - het leerplan vast, terwijl de directeur het rooster van lesuren in overeenstemming met het leerplan vaststelt; administratie en financieel beheer vinden centraal plaats in Waalwijk. Het dagelijks bestuur regelt aanstelling, schorsing en ontslag van de docenten bij het CMD. Appellante is laatstelijk in 1980 aangesteld als docente klassiek ballet zonder dat daarbij een specifieke plaats van tewerkstelling is aangegeven; wijziging van die aanstelling heeft nadien niet plaatsgevonden. Namens gedaagde is aanvankelijk gesteld dat appellante steeds uitsluitend in Drunen heeft lesgegeven. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat appellante ook lessen klassiek ballet in Waalwijk heeft gegeven en voorts, dat zij daar regelmatig met haar collega-docente balletuitvoeringen voor het CMD gaf. Gelet op al het vorenstaande is de Raad van oordeel dat met betrekking tot het onderdeel klassiek ballet te Drunen van de sector dansante vorming van het CDM niet is gebleken van een zodanig organisatorisch zelfstandig dienstonderdeel/dienstvak dat gedaagdes beslissing dat onderdeel te doen verdwijnen tevens zou inhouden dat de betrekking van appellante zou zijn opgeheven. Uitgaande van de gehele sector klassiek ballet van het CMD houdt dit in een vermindering van functie-omvang als bedoeld in het tweede lid van het hiervoor omschreven artikel H 7, inclusief de daarbij geregelde afvloeiingsvolgorde. Het vorenoverwogene houdt in dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven. Door en namens appellante is verzocht om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 16 juni 1994 geheel of gedeeltelijk in stand te laten, zulks met toekenning van een schadevergoeding. De Raad ziet echter, mede gelet op hetgeen namens gedaagde dienaangaande is verklaard, in de gegeven omstandigheden onvoldoende grond voor toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts acht hij, nu moet worden vastgesteld dat aan het primaire ontslagbesluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit, termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb ook het besluit van 24 januari 1994 te vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 1.775,-, aan kosten wegens aan appellante in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van f 1.420,- van aan haar in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Beslist wordt als volgt: III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juni 1994 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit; Vernietigt het aan het besluit van 16 juni 1994 ten grondslag liggende primaire besluit van 24 januari 1994; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante ten bedrage van f 3.195,-, te betalen door het Centrum voor Muziek en Dans Midden-Langstraat; Bepaalt dat het Centrum voor Muziek en Dans Midden-Langstraat aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal f 500,-, vergoedt. Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 januari
- (get.) W. van den Brink. (get.) A.W.M. van Bommel. HD 13.01