E N K E L V O U D I G E K A M E R 98/2595 BPW U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., verzoeker, en de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij een op 5 februari 1998 tussen partijen onder nummer 97/11547 BPW-VV gegeven uitspraak van 's Raads President is wegens het ontbreken van een spoedeisend belang afgewezen de vordering van verzoeker om verweerster met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te gelasten om aan hem onverwijld een bedrag ad f 2.177,19 te restitueren, welk bedrag volgens verzoeker bij een in november 1997 verzonden berekeningsbeschikking van verweerster onaangekondigd is ingehouden op zijn pensioen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-
- Bij brief d.d. 27 februari 1998 (met bijlagen) heeft verzoeker aan de Raad primair verzocht terug te komen van vorengenoemde uitspraak van de President. Subsidiair heeft verzoeker aan de Raad gevraagd om het verzoekschrift, indien aan het primaire verzoek niet kan worden voldaan, toe te voegen aan zijn bezwaarschrift d.d. 18 november
- Namens verweerster is een verweerschrift ingediend. Met instemming van partijen heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van de Awb het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. II. MOTIVERING De Raad zal in dit geding in de eerste plaats hebben na te gaan of hij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om terug te komen van de uitspraak van de President d.d. 5 februari 1998, welk verzoek de Raad opvat als een verzoek om ten aanzien van die uitspraak toepassing te geven aan artikel 8:88 van de Awb. Dienaangaande overweegt hij als volgt. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:88 van de Awb kan, op verzoek van een partij, worden herzien: een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad. Voor de Raad lijdt het geen twijfel dat het in artikel 8:88 van de Awb bepaalde, gelet op de duidelijke bewoordingen van dit voorschrift, alleen van toepassing kan zijn op een uitspraak van de Raad in de zin van artikel 8:77 van de Awb dan wel op een uitspraak van de President als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, en geen betrekking kan hebben op een uitspraak van de President, welke met toepassing van artikel 8:84 van de Awb is gegeven in het kader van een verzoek om een voorlopige voorziening ingevolge artikel 8:81 van de Awb. De Raad stelt voorts vast dat de uitspraak van de President d.d. 5 februari 1998, waarvan thans herziening is gevraagd, tot stand is gekomen met toepassing van artikel 8:81, eerste lid, in verbinding met artikel 8:84, tweede lid, van de Awb. Ten aanzien van een dergelijke uitspraak kan, naar hiervoren al is overwogen, niet het bijzondere rechtsmiddel van herziening in de zin van artikel 8:88 van de Awb worden ingeroepen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Raad zich niet bevoegd acht om kennis te nemen van het verzoek om de uitspraak van de President d.d. 5 februari 1998 onder nummer 97/11547 BPW-VV met toepassing van artikel 8:88 van de Awb te herzien. Aan het bij het verzoekschrift subsidiair gevraagde is vanwege 's Raads griffie reeds voldaan bij brief aan verweerster d.d. 10 april
- De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om herziening. Aldus gegeven door mr J.G. Treffers, in tegenwoordigheid van mr D. Verduijn, en uitgesproken in het openbaar op 18 juni
- (get.) J.G. Treffers. (get.) D. Verduijn. HD 11.06