95/778 WSW-S O U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van 18 juli 1996 heeft de Raad in het geding tussen appellant en gedaagde, geregistreerd onder nummer 95/778 WSW, het door appellant bestreden besluit van gedaagde van 15 februari 1994 en het daaraan ten grondslag liggende besluit van 21 juli 1993 vernietigd. Bij het eerstgenoemde besluit is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen laatstvermeld besluit waarbij het dienstverband van appellant in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) op grond van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van die wet ingaande 23 juli 1993 is beëindigd. Toepassing gevend aan artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de Raad bij zijn uitspraak voorts bepaald dat het onderzoek terzake van het door appellant gedane verzoek om toekenning van schadevergoeding wordt heropend. Appellant is in dat kader in de gelegenheid gesteld zijn verzoek nader te onderbouwen, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt door opgave van schadeposten en een gedeeltelijke specificatie daarvan. Namens gedaagde is daarop een korte reactie gegeven. Het geding is behandeld ter zitting van 29 januari 1998, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde, mr J.F. de Ruijter de Wildt, advocaat en procureur te Groningen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr A.C. Ragas en W. Haak, beiden werkzaam bij de gemeente Groningen. II. MOTIVERING De Raad merkt vooreerst op dat ingevolge artikel 17 van de op 1 januari 1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (wet van 11 september 1997, Stb. 466) op de behandeling van dit geding het recht van toepassing blijft zoals dat voor de genoemde datum van inwerkingtreding van die wet gold. Appellant heeft verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade die hij lijdt als gevolg van het vernietigde ontslagbesluit. Waar het achterstallige salaris inmiddels is betaald, stelt appellant de volgende posten: a. schade wegens vertraging in de voldoening van zijn salaris; b. de kosten van schadebeperkende maatregelen en de kosten van de vaststelling van de geleden fiscale schade; c. de eventuele fiscale schade. Met betrekking tot post a. staat appellant toepassing voor van het bepaalde in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij de berekening zijns inziens behoort plaats te vinden over het bruto salaris dat achterstallig was. Omdat appellant zich niet terzake kundig acht op fiscaal gebied voert hij in het kader van post b. nog te maken accountantskosten op in verband met het aanvragen bij de belastingdienst van middeling of uitsmering en in verband met het vaststellen van de fiscale schade. Gedaagde refereert zich aan het oordeel van de Raad met betrekking tot post b.; tegen de opgevoerde kostenposten a. en c. - met uitzondering van de hoogte daarvan - heeft hij geen bezwaar. Gedaagde is van opvatting dat bij de berekening van de wettelijke rente (post a.) uitgegaan moet worden van de bruto salarisbedragen per betalingstijdvak, na verrekening van de over hetzelfde tijdvak door appellant ontvangen bruto uitkering. Bij dat laatste gaat het (kennelijk) om aan appellant ten tijde hier van belang betaalde uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet (WW). De Raad overweegt als volgt. Het geschil over een veroordeling tot vergoeding van de onder a. opgevoerde kosten bestaande in vertragingsschade is beperkt tot de wijze waarop de wettelijke rente berekend moet worden. Gedaagde is van oordeel dat de rente niet berekend moet worden over het gehele bruto bedrag van de per betalingstijdvak nalatig gebleven salarisbetaling, maar over het bruto bedrag dat resteert na verrekening met die bruto salarisbetaling van een over het desbetreffende betalingstijdvak ontvangen uitkering. Gedaagde beroept zich op de "(hem) bekende jurisprudentie". De Raad kan gedaagde niet volgen. Hij acht de situatie die zich hier voordoet - in het tijdvak waarop jegens gedaagde aanspraak bestond op salaris uit een WSW-dienstbetrekking ontving appellant een WW-uitkering - afwijkend van de in de jurisprudentie aanvaarde, verrekening toelatende, berekeningswijze in de specifieke situatie waarin door de wetgever klaarblijkelijk een als samenhangend geheel te beschouwen stelsel in het leven is geroepen zoals bijvoorbeeld tot uitdrukking is gebracht in artikel 49 van de (voormalige) Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (zie het arrest van de Hoge Raad 22 september 1995, JB 1995, 275). De Raad verwijst nog naar hetgeen hij in dat verband heeft overwogen in zijn uitspraak van 10 juli 1997 (JB 1997, 198). Het verzoek om vergoeding van vertragingsrente, berekend op een wijze als door appellant wordt voorgestaan, is derhalve voor toewijzing vatbaar. Met betrekking tot de onder c. vermelde post overweegt de Raad dat hij, in aanmerking nemend dat de heffing van loon- en inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen (hierna te noemen: belasting en premies) is geïntegreerd, het verzoek van appellant aldus verstaat dat deze vergoeding beoogt van het nadeel dat mogelijk ontstaat doordat hij bij de nabetaling van het salaris achteraf een hoger bedrag aan belasting en premies verschuldigd zal zijn dan het geval geweest zou zijn indien het bestreden ontslagbesluit niet zou zijn genomen. Schade als hier wordt gevorderd, valt buiten de opgevoerde vertragingsschade waarop artikel 6:119 van het BW betrekking heeft (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 8 december 1995, JB 1996, 60) en kan derhalve in beginsel voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De Raad acht het verzoek om vergoeding van deze schade in beginsel toewijsbaar met inachtneming van het navolgende. De schade beloopt in beginsel het (positieve) verschil tussen 1. de volgens de wettelijke bepalingen verschuldigde belasting en premies over de van belang zijnde jaren inclusief het jaar van de nabetaling, en 2. de belasting en premies, die over de voornoemde jaren verschuldigd zouden zijn geweest indien de salarisbetalingen die gedaagde verschuldigd was, en de heffing van belasting en premies over die betalingen, zouden hebben plaatsgevonden in de jaren waarop de nabetaling betrekking heeft. Omdat de Raad de omvang van de (eventuele) schade die appellant heeft opgevoerd in zijn post b. nog niet (volledig) kan vaststellen, zal hij appellant, met toepassing van het tweede lid van artikel 8:73 van de Awb, in de gelegenheid stellen zich met een gespecificeerd verzoek te wenden tot de Raad, waarbij de Raad ervan uitgaat dat appellant zich dienaangaande eerst met gedaagde verstaat. De Raad tekent daarbij aan dat in dat verband (eventueel) te maken redelijke kosten ter vaststelling van die schade op de voet van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Gelet op het hiervoor overwogene acht de Raad termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant ten bedrage van f. 710,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. De Raad beslist derhalve als volgt: III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Veroordeelt de gemeente Groningen tot vergoeding van vertragingsschade als onder II is overwogen; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f 710,-, te betalen door de gemeente Groningen aan de griffier van de Raad; Stelt appellant in de gelegenheid zich tot de Raad te wenden met een gespecificeerd verzoek om veroordeling tot vergoeding van belastingschade en in verband daarmee te maken kosten, en stelt de stukken daartoe in handen van de voorzitter. Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr Ch. de Vrey en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 april 1998. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) P.H. Schippers. HD 14.04
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.