← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7914

96/4177 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., appellante, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Namens appellante is mr H.M.T. de Pont, advocaat te Tilburg, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te Amsterdam onder dagtekening 27 maart 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 18 februari 1998 heeft gedaagde een vraag beantwoord en nadere stukken ingezonden. Bij brief van 3 juni 1998 heeft mr De Pont namens appellante op de inhoud van de hiervoor genoemde stukken gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 september 1998, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr De Pont, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr P.A.L. Nieuwenhuis, werkzaam bij Gak Nederland B.V. II. MOTIVERING Appellante heeft tot 1 november 1979 in een volledige werkweek gewerkt bij het advocaten- en notariskantoor X. te Y. als secretaresse van de advocaat mr C. In verband met arbeidsongeschiktheid als gevolg van een haar overkomen auto-ongeval zijn appellante met ingang van 1 november 1980 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Op 29 januari 1993 is appellante door de ongevalsverzekeringsgeneeskundige van het GAK dr L.P. de Laive onderzocht. Deze arts achtte appellante geschikt voor haar werk als secretaresse en heeft haar dat medegedeeld. Dit oordeel is overgenomen door de verzekeringsgeneeskundige van de Gemeenschappelijke Medische Dienst E.G. Zijp blijkens zijn rapport van 16 februari

  1. Op diezelfde datum heeft appellante gesproken met de arbeidsdeskundige J.M. van Kesteren. Deze arbeidsdeskundige heeft appellante medegedeeld dat zij geschikt werd geacht om gedurende hele dagen als directiesecretaresse werkzaam te zijn. Bij de bestreden beslissing van 5 juli 1993 heeft gedaagde de uitkeringen van appellante ingevolge de AAW en de WAO, welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 augustus 1993 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was. Appellante is op verzoek van de rechtbank onderzocht door de neuroloog dr E. Ch. Wolters. Uitgaande van de datum 1 augustus 1993 heeft deze neuroloog in zijn rapport van 1 mei 1995 voor appellante een aantal op ziekte of gebrek berustende beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid vastgesteld. Hij acht appellante onder meer ongeschikt voor werk waarbij repeterende bewegingen met de halswervelkolom moeten worden gemaakt, waarbij de nek enige uren dezelfde houding moet aannemen of waarbij anders dan incidenteel belastende werkzaamheden boven schouderhoogte moeten worden uitgevoerd. Voorts acht hij appellante ook minder geschikt voor het verrichten van werkzaamheden onder een hoge werkdruk en/of stress. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard onder overweging dat appellante op 1 augustus 1993 niet langer in dienst van haar werkgever was, zodat niet langer kon worden uitgegaan van de arbeid zoals appellante die laatstelijk heeft verricht voordat zij arbeidsongeschikt werd. Omdat de rechtbank haar geschikt acht voor de soortgelijke arbeid van een directiesecretaresse, waarvan een aantal voorbeelden zijn overgelegd, is appellante naar het oordeel van de rechtbank op 1 augustus 1993 niet langer arbeidsongeschikt in de zin van de AAW en de WAO. De Raad moet thans de vraag beantwoorden of de bestreden beslissing in rechte stand kan houden. De Raad overweegt het volgende. Van toepassing zijn in dit geval artikel 5 van de AAW en artikel 18 van de WAO, zoals die artikelen luidden voor 1 augustus
  2. In het voetspoor van de neuroloog dr Wolters, die als onafhankelijk en onpartijdig deskundige heeft gerapporteerd, neemt de Raad aan dat voor appellante die beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid golden, welke zijn omschreven in het rapport van die neuroloog van 1 mei
  3. In zijn jurisprudentie heeft de Raad (zie onder meer de uitspraak, gepubliceerd in RSV 1992/244) tot uitdrukking gebracht dat in beginsel als maatman dient te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk verrichtte voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Dat de inhoud en de belasting van een functie in de loop der jaren is gewijzigd, is volgens die jurisprudentie geen grond om een uitzondering op genoemde hoofdregel aan te nemen. De Raad voegt daaraan toe dat de omstandigheid dat een verzekerde na het intreden van de arbeidsongeschiktheid is ontslagen, evenmin een grond oplevert om een uitzondering op die hoofdregel aan te nemen. Geschiktheid voor die arbeid brengt volgens de jurisprudentie van de Raad (vergelijk bijvoorbeeld de in het verweerschrift in hoger beroep genoemde uitspraak van de Raad) in beginsel mee dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dat is anders als hervatting in de oude functie niet mogelijk is en de maatmanarbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is. In hoger beroep is aan gedaagde verzocht om een gedetailleerde omschrijving van de werkzaamheden van appellante zoals zij die in 1979 als secretaresse voor mr C. heeft verricht met de daarbij behorende belastende factoren. De arbeidsdeskundige J.M. van Kesteren heeft in zijn rapport van 18 februari 1998 medegedeeld dat er geen gegevens meer voorradig zijn over de functie van appellante in 1979 zodat hij in de beschrijving ervan is uitgegaan van de huidige functie. De Raad stelt vast dat aldus de onderhavige schatting niet voldoet aan de eisen die in de jurisprudentie van de Raad daaraan worden gesteld. Immers niet is komen vast te staan dat appellante op 1 augustus 1993 weer geschikt was voor de arbeid als secretaresse zoals zij die voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid in 1979 heeft verricht. Opgemerkt zij nog dat appellante in beroep onweersproken heeft gesteld dat het werk voor mr C., senior-partner bij X., zeer stressvol was en dat zij de indruk had dat secretaresses van senior-partners beter werden betaald. Voorts is de Raad niet gebleken dat arbeid met eenzelfde belasting en beloning als de arbeid die appellante destijds bij X. heeft verricht, bij andere werkgevers voorhanden was op de datum 1 augustus
  4. De voorbeeldfuncties van directiesecretaressen, die gedaagde heeft overgelegd kunnen niet als zodanig dienen, nu daaruit niet blijkt dat die arbeid wat betreft de belasting daarin gelijk is aan de belasting die voor appellante in haar functie bij X. gold. Ten slotte merkt de Raad op dat hem niet is gebleken dat aan de onderhavige schatting geschiktheid voor passende functies (mede) ten grondslag is gelegd. De bestreden beslissing is daarom in strijd met artikel 5 van de AAW en artikel 18 van de WAO, zoals die destijds luidden. Daarom kunnen de aangevallen uitspraak en de bestreden beslissing niet in stand blijven. Ter voorlichting van appellante merkt de Raad nog op dat dit oordeel niet meebrengt dat appellante blijvend recht op uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, zal kunnen doen gelden. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed. Beslist moet worden als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede de bestreden beslissing; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,-; Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 200,- vergoedt. Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en mr M.M. van der Kade en mr C.J. Bax als leden, in tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 september
  5. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) B.C. Rog. LK 2309

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.