97/2501 AW en 97/2522 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: A te B, appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 30 januari 1997 onder de nummers AWB 95/10793 en 95/11102 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. De gedingen zijn behandeld ter zitting van 24 september 1998, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr D. Mulders, verbonden aan Van Kleef & Partners B.V. te Boskoop, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door ing. C.H. Heesen en J.W.M. van Dam, beiden werkzaam bij de gemeente Alphen aan den Rijn. II. MOTIVERING Appellant is in het kader van een reorganisatie ingaande 1 januari 1992 geplaatst in de functie van medewerker leerplichtzaken (later genoemd ambtenaar leerplichtzaken) bij de afdeling onderwijs van gedaagdes gemeente. Voordien was hij bij die gemeente werkzaam als bijstandsmaatschappelijk werker. Bij besluit van 27 september 1995 heeft gedaagde appellants bezwaren tegen het besluit van 13 maart 1995 om appellant tijdelijk tot een nader te bepalen datum andere, niet bij zijn functie van ambtenaar leerplichtzaken behorende, werkzaamheden bij de afdeling sociale zaken op te dragen, ongegrond verklaard. Bij besluit van 28 september 1995 heeft gedaagde overeenkomstig het advies van de commissie personeelszaken de ten aanzien van appellant over het tijdvak van 1 januari 1994 tot 1 december 1994 vastgestelde beoordeling, na daartegen gemaakt bezwaar, gehandhaafd. De rechtbank heeft de namens appellant tegen de besluiten van 27 en 28 september 1995 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Naar aanleiding van hetgeen door en namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende: Ten aanzien van het besluit van 27 september 1995 Gedaagde heeft bij zijn besluit van 27 september 1995 met toepassing van artikel 15:1:10, tweede lid, aanhef en onder a, van de inmiddels in werking getreden Arbeidsvoorwaardenregeling Alphen aan den Rijn, het besluit van de directeur uitvoerende diensten om appellant tijdelijk tot een nader te bepalen datum andere dan de tot zijn functie van ambtenaar leerplichtzaken behorende werkzaamheden op te dragen, in stand gelaten. Aan die beslissing lag de overweging ten grondslag dat uit de procedure over de beoordeling van appellant over 1994 naar voren was gekomen dat appellant zijn functie niet naar behoren vervuld had. Dit, gevoegd bij klachten van externe instanties over appellants functioneren, dwong, aldus gedaagde, ertoe om met het oog op het hoge afbreukrisico, de achterstanden en de voortgang van de werkzaamheden appellant tijdelijk te ontheffen van zijn functie van ambtenaar leerplichtzaken. Namens appellant is primair aangevoerd dat bij het nemen van het besluit van 13 maart 1995 artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden. Verder is appellant van opvatting dat gedaagde ten onrechte dienstbelang voor de verplaatsing aanwezig heeft geoordeeld. Volgens appellant is voorts in strijd gehandeld met artikel 3:2 van de Awb. Appellant heeft verder kanttekeningen geplaatst bij de aan het verplaatsingsbesluit ten grondslag gelegde motivering en de passendheid van de tijdelijke werkzaamheden betwist. De Raad overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat de Raad de rechtbank niet kan volgen in haar opvatting dat in het onderhavige geval artikel 4:8 van de Awb toepassing zou missen. Hij heeft tevens moeten vaststellen dat waar appellant door de directeur uitvoerende diensten niet is gehoord alvorens deze het besluit van 13 maart 1995 heeft genomen en hij niet ervan overtuigd is kunnen raken dat zich in casu een omstandigheid voordeed als bedoeld in artikel 4:11 van de Awb, appellant ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Tegen de achtergrond van het gegeven dat artikel 4:8 van de Awb het oog heeft op bevordering van een juiste vaststelling van relevante feiten en omstandigheden en in deze fase van de besluitvorming de rechtsbescherming niet voorop staat, ziet de Raad in evenbedoelde schending echter onvoldoende grond gelegen voor vernietiging van het besluit van 27 september
- Hij heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat vóórdat het besluit van 13 maart 1995 is genomen met appellant overleg is gepleegd over diens functioneren en appellant voorts zijn zienswijze in administratief beroep naar voren heeft kunnen brengen. Met betrekking tot het door appellant betwiste oordeel van gedaagde dat het dienstbelang vereiste dat aan appellant tijdelijk andere werkzaamheden werden opgedragen, overweegt de Raad dat uit de gedingstukken onmiskenbaar blijkt dat appellants functioneren door zijn chef zowel kwalitatief als kwantitatief als slecht is beoordeeld. Voorts acht de Raad genoegzaam vaststaan dat appellants chef door leidinggevenden van diverse scholen is benaderd met klachten over appellants functioneren en dat aan deze zelfs te kennen is gegeven dat men appellant eigenlijk geen zaken van ongeoorloofd schoolverzuim meer in handen wilde stellen. Tegen die achtergrond en gegeven de omstandigheid dat het hier ging om een verantwoordelijke, zelfstandig uit te oefenen functie met een groot afbreukrisico kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat voldoende dienstbelang om appellant tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen ontbrak. Voor de juistheid van appellants stelling dat bij de voorbereiding van het betrokken besluit de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen niet dan wel onvoldoende zouden zijn vergaard, heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden. De Raad is voorts van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de werkzaamheden waarmee appellant is belast, te weten werkzaamheden die in het verlengde lagen van de door hem vóór 1 januari 1992 verrichte werkzaamheden, hem in redelijkheid niet konden worden opgedragen. De Raad acht onvoldoende gebleken dat sprake zou zijn van een zodanige animositeit tussen appellant en de chef sociale zaken dat de werkzaamheden op de afdeling sociale zaken voor hem deswege niet passend zouden kunnen worden geacht. Aan de conclusie dat sprake was van passende werkzaamheden ziet de Raad evenmin afdoen de door appellant naar voren gebrachte omstandigheid dat hij zich de inmiddels totstandgekomen nieuwe wetgeving eigen diende te maken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit van 27 september 1998 niet kan slagen. Ten aanzien van het besluit van 28 september 1995 Het besluit van 28 september 1995 betreft de ongegrondverklaring van de bezwaren van appellant tegen de over hem over het tijdvak van 1 januari 1994 tot 1 december 1994 vastgestelde beoordeling. Die beoordeling laat een onvoldoende functioneren zien zowel kwantitatief als kwalitatief. Appellant heeft in hoger beroep - kort gezegd - naar voren gebracht dat bij het opmaken van de beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met externe factoren en voorts dat ter ondersteuning van de negatieve waarderingen in de beoordeling onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn aangedragen. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van de beoordeling overweegt de Raad dat die, volgens zijn vaste jurisprudentie, is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Naar de Raad reeds eerder heeft uitgemaakt moet in gevallen van negatieve oordelen als uitgangspunt gelden dat het op de weg van het betrokken bestuursorgaan ligt in rechte genoegzaam aan te tonen dat die waardering niet op onvoldoende gronden berust. In overeenstemming met evenbedoelde jurisprudentie merkt de Raad voorts nog op, dat niet beslissend is of elk feit dat ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is en dat zelfs niet van doorslaggevend belang is of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat erom of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de evenbedoelde toetsing kunnen doorstaan. De Raad merkt in de eerste plaats op dat appellant hem niet ervan heeft kunnen overtuigen dat bij de onderhavige beoordeling onvoldoende rekening zou zijn gehouden met externe factoren. Met name heeft hij onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden om de stellingname van gedaagde, dat bij de beoordeling zowel rekening is gehouden met de omstandigheid dat appellant vanaf februari 1994 op minder uren werkzaam was vanwege ouderschapsverlof als ook het gegeven dat hij vanaf 6 september 1994 zijn functie wegens ziekte niet meer heeft uitgeoefend, voor onjuist te houden. Ten aanzien van de in de beoordeling neergelegde waarderingen overweegt de Raad vooreerst dat hij onvoldoende aanleiding heeft gevonden te twijfelen aan de juistheid van het door gedaagde ingenomen standpunt dat een met het betrokken terrein niet bekend zijnde ambtenaar, zoals appellant, na twee jaar kon en mocht worden beoordeeld tegen de achtergrond van de voor een normale functievervulling geldende eisen. Reeds om die reden ziet de Raad aan appellants grief dat onvoldoende rekening is gehouden met - het beeld over appellants functioneren dat opkomt uit - de ten aanzien van appellant over 1993 opgemaakte beoordeling, waarbij nog is uitgegaan van een nog niet voldoende ingewerkte functionaris, niet die betekenis toekomen die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Anders dan appellant is de Raad voorts van oordeel dat van de zijde van gedaagde in de beschikbare gedingstukken genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat appellants functievervulling vanaf 1 januari 1994 zowel kwantitatief als kwalitatief een onvoldoende beeld te zien gaf. Ten aanzien van de in dat verband naar voren gebrachte externe klachten tekent hij daarbij aan dat hij, gelet op hetgeen appellant dienaangaande naar voren heeft gebracht, niet de overtuiging heeft verkregen dat die klachten in essentie voldoende feitelijke grondslag zouden ontberen. Op grond van evenbedoelde gegevens staat voor de Raad genoegzaam vast dat appellants kennis van de meer algemene vormgeving van het werkgebied leerplichtzaken te kort schoot. Dat de scheiding tussen beleid en uitvoering in relevante mate aan kennisvermeerdering in de weg stond, acht de Raad onvoldoende gebleken. Voor de Raad is ook voldoende aannemelijk dat appellant de aan zijn functie verbonden zelfstandigheid niet adequaat vorm heeft gegeven door onvoldoende actief gebruik te maken van de aan zijn functie verbonden bevoegdheden en onvoldoende in te springen op nieuwe ontwikkelingen. Dat appellant in zijn contacten een zekere onverschilligheid aan de dag legde, ziet de Raad in de gedingstukken eveneens bevestigd. De Raad deelt evenwel de opvatting van appellant dat hoewel appellants kennis van de meer algemene vormgeving van het werkgebied tekort schoot en op zich zelf de waardering 'onvoldoende' zou rechtvaardigen, het tussen partijen vaststaande gegeven dat hij in 1994 er blijk van heeft gegeven over voldoende kennis te beschikken van de normale gevalsbehandeling ertoe dient te leiden dat de waardering voor het totale bestanddeel kennis dient te worden gewijzigd in 'matig'. Hieruit volgt dat de bestreden beoordeling in zoverre niet in stand kan worden gelaten. In aanmerking genomen dat de hiervoor bedoelde aanpassing van de waardering van het bestanddeel kennis het totaalbeeld van het functioneren van appellant naar het oordeel van de Raad niet wijzigt, zal de Raad de beoordeling met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb aldus wijzigen. In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 1.420,-- aan kosten wegens aan appellant in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en een bedrag groot f 1.420,-- aan kosten wegens aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat moet worden beslist als volgt: III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep van appellant tegen het besluit van 28 september 1995 ongegrond is verklaard; Verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van 28 september 1995 alsnog gegrond; Vernietigt het besluit van 28 september 1995 voor zover de handhaving van de beoordeling betrekking heeft op de waardering van het bestanddeel 'kennis' met een 'A'; Stelt de waardering van het bestanddeel 'kennis' vast op 'B'; Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,--, te betalen door de gemeente Alphen aan den Rijn; Bepaalt dat de gemeente Alphen aan den Rijn aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal f 500,-- vergoedt. Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek en mr H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 november
- (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) P.H. Schippers. HD Q