← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7969

97/5768 ABW U I T S P R A A K in het geding tussen: A en B, wonende te C, appellanten, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellanten heeft mr M.H.J. van Geffen, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 2 april 1997 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het geding is behandeld ter zitting van 1 september 1998, waar namens appellanten is verschenen mr Van Geffen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet (Abw) en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Appellante B (verder te noemen: appellante) studeerde sinds september 1993 psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Omdat haar partner A (verder te noemen: appellant) niet over eigen inkomen beschikte en hij hun (in oktober 1990 geboren) kind mede verzorgde, ontving appellante op grond van de Wet op de studiefinanciering (WSF) naast een basisbeurs een partnertoeslag (in 1993 en 1994 respectievelijk f 1.414,55 en f 1.431,--). Appellante is op 16 augustus 1995 27 jaar geworden en had derhalve per 1 september 1995 geen recht meer op de basisbeurs met toeslag. Per 1 september 1995 ontving zij echter op grond van de artikelen 8, tweede lid, en 17a, eerste lid, van hoofdstuk II van de WSF een studietoelage in de vorm van een rentedragende lening, inclusief een partnertoeslag eveneens in de vorm van een lening op grond van artikel 13, eerste lid, van die wet, in totaal ten bedrage van f 2.040,94 per maand. Appellant heeft op 20 juli 1995 ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan een aanvraag ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) ingediend. Hij heeft daarbij verzocht om het inkomen van appellanten aan te vullen met een halve gezinsuitkering tot zijn zoon oud genoeg is en appellant weer aan het werk kan gaan. Bij besluit van 15 september 1995 heeft gedaagde afwijzend beslist op appellants aanvraag. Het door appellanten tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit van 19 juli 1996 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft afwijzend beslist op de gronden dat het maandelijkse gezinsinkomen, bestaande uit de hiervoor genoemde rentedragende lening met partnertoeslag ingevolge de WSF, de bijstandsnorm voor een gezin overtreft. Voorts is gedaagde van mening dat die lening moet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening, als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de ABW. De rechtbank heeft het door appellanten tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellanten stellen zich op het standpunt dat een rentedragende lening niet als inkomen kan worden aangemerkt en dat de partnertoeslag ex artikel 13 van de WSF geen naar aard en doel passende voorziening voor appellant is, nu deze lening tot gevolg heeft dat appellante, teneinde mede in het levensonderhoud van appellant te voorzien, een grotere studieschuld opbouwt dan wanneer zij alleen de basisbeurs voor haar studie zou lenen. Appellanten hebben daarbij gewezen op de naar hun mening van overeenkomstige toepassing zijnde Beschikking bijstandsverlening werkloze werknemers met studerende partner (Beschikking van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 september 1986, verder te noemen: de Beschikking). De Raad overweegt het volgende. Appellante ontvangt ten tijde in dit geding van belang per maand op grond van de WSF een studietoelage met partnertoeslag in de vorm van een rentedragende lening. Dit houdt in dat appellanten feitelijk voor hun levensonderhoud maandelijks ter beschikking hebben een bedrag van ruim f 2.000,--, welk bedrag uitgaat boven de in het kader van de RWW voor een echtpaar vastgestelde norm. Naar 's Raads oordeel heeft gedaagde terecht hetgeen appellanten ingevolge de WSF maandelijks in de vorm van een rentedragende lening ontvangen aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 1 van de ABW, nu gelet op inhoud en strekking van die wet slechts bijstand wordt toegekend in die gevallen, waarin betrokkenen niet, dan wel in niet voldoende mate kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Het vorenstaande houdt in dat niet kan worden gezegd dat appellanten in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken, dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de ABW. Met betrekking tot de argumenten van appellanten terzake van de Beschikking overweegt de Raad het volgende. In artikel 1, eerste lid, van de Beschikking is bepaald dat bijstand wordt verleend aan de werkloze werknemer die gehuwd of ongehuwd duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert met een partner die recht heeft op een studietoelage ingevolge hoofdstuk II van de WSF én voor wie geen recht op een partnertoeslag ingevolge artikel 13 van die wet bestaat. De Raad kan dan ook slechts concluderen dat, nu appellante voor appellant een partnertoeslag op grond van artikel 13 van de WSF ontvangt, de Beschikking toepassing mist. Appellanten hebben voorts gesteld dat een partnertoeslag in de vorm van een rentedragende lening voor appellant niet als een - naar aard en doel toereikende en passende - voorliggende voorziening in de zin van artikel 1a, eerste lid, van de ABW is aan te merken. Zoals de Raad meermalen heeft overwogen komt blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1a van de ABW bij de beantwoording van de vraag of een bepaalde voorliggende voorziening als toereikend en passend kan worden aangemerkt niet alleen betekenis toe aan hetgeen naar maatschappelijk inzicht aanvaardbaar is maar ook aan de omstandigheden en mogelijkheden van het individuele geval. Naar het oordeel van de Raad stelt gedaagde zich terecht op het standpunt dat de via de WSF geboden mogelijkheid om een rentedragende lening af te sluiten mede ten behoeve van de kosten van het levensonderhoud van de partner van appellante kan worden aangemerkt als een voor appellanten voorliggende voorziening in de zin van artikel 1a, eerste lid, van de ABW. De passendheid wordt niet aan die voorziening ontnomen door het feit dat appellante, nu ook het onderhoud van appellant tot haar last komt, een aanzienlijke studieschuld opbouwt. Zoals ook de rechtbank heeft opgemerkt is het aan appellanten om - desgewenst - onderling hiervoor een regeling te treffen. Nu niet is gebleken van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 1a, vierde lid, van de ABW op grond waarvan aan appellanten (aanvullende gezins)bijstand zou moeten worden verleend, heeft gedaagde aan zijn weigering terecht tevens artikel 1a, eerste lid, van de ABW ten grondslag kunnen leggen. Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat bij de aangevallen uitspraak het beroep terecht ongegrond is verklaard. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Berends als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 1998. (get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns. (get.) A.H. Berends. HL 1410

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.