E N K E L V O U D I G E K A M E R 98/3071 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 18 maart 1998 heeft gedaagde op de aanvraag van appellant van 17 februari 1998 om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) afwijzend beslist. Tegen dit besluit heeft mr G.Th.J. Bos, advocaat te Leiden, namens appellant beroep ingesteld bij de Raad. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. II. MOTIVERING Uit de gedingstukken blijkt, voor zover hier van belang, het volgende. Appellant, geboren in 1955 en van Marokkaanse nationaliteit, verblijft vanaf 1986 in Nederland. Op 27 juni 1995 heeft appellant een verzoek ingediend om een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden en in verband met medische behandeling. Op dit verzoek is afwijzend beslist. Op 17 februari 1998 heeft appellant een uitkering aangevraagd op grond van de Abw voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij het bestreden besluit van 18 maart 1998 heeft gedaagde op dit verzoek afwijzend beslist en daartoe overwogen: "U kunt als vreemdeling in aanmerking komen voor bijstand als u beschikt over een verblijfsvergunning op grond van artikel 9 of 10 vreemdelingenwet; of ten behoeve van u een schriftelijke verklaring conform artikel 45 Vreemdelingenvoorschrift is afgegeven door het hoofd van de vreemdelingenpolitie waaruit blijkt dat u gerechtigd bent in Nederland te verblijven (art. 7, tweede lid en art. 12 Abw). In uw geval is hiervan geen sprake. Evenmin is aannemelijk, dat er ten aanzien van u zeer dringende redenen aanwezig zijn waardoor ik, gelet op alle omstandigheden, hierop een uitzondering moet maken.". Gedaagde heeft zich bij het nemen van dit besluit gebaseerd op een verklaring van 10 maart 1998 van de korpschef ingevolge de Vreemdelingenwet (Vw), inhoudende dat op appellant niet het bepaalde in artikel 12, tweede lid, van de Abw, zoals dit artikel ten tijde hier van belang luidde, van toepassing is en dat betrokkene per 18 november 1997 niet (langer) met instemming van de Nederlandse overheid in Nederland verblijft. Met betrekking tot zich na het bestreden besluit voorgedaan hebbende ontwikkelingen heeft gedaagde de Raad in het verweerschrift als volgt geïnformeerd: "Op 29 april 1998 heeft [appellant] opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Gebleken is dat hij zich op dezelfde datum tot de vreemdelingenpolitie heeft gewend voor het indienen van een verzoek om verblijf in Nederland op humanitaire gronden. In verband met de nieuwe aanvraag heeft de gemeente de korpschef van de plaatselijke politie opnieuw om een verklaring gevraagd. Van die zijde is medegedeeld dat geen van de in de fax vermelde situaties op [appellant] van toepassing waren. Volstaan werd met een omschrijving van de verblijfsstatus van [appellant]: op het verzoek d.d. 29 april 1998 om een verblijfsvergunning was nog niet beslist en er was geen last tot uitzetting gegeven. Hoewel twijfelachtig was of gesproken kan worden van een verklaring als bedoeld in artikel 12, lid 2, Abw, heeft de gemeente besloten om tot bijstandsverlening over te gaan (in navolging van enkele vergelijkbare gevallen waarin de korpschef ook alleen had aangegeven dat er een procedure inzake een verblijfsvergunning loopt en er geen last tot uitzetting was gegeven). [appellant] is ingaande 29 april 1998 bijstand toegekend, met dien verstande dat de uitkering mogelijk wordt teruggevorderd als betrokkene alsnog een WW-uitkering wordt toegekend. In beroep is naar mijn mening nog slechts de periode van 17 februari 1998 tot 29 april 1998 aan de orde. Voor bijstandsverlening vóór 29 april 1998 kon geen aanleiding worden gevonden, aangezien tot die datum moest worden uitgegaan van de negatieve verklaring van de korpschef van 10 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.